З життя
De hand van Kaspian
Ik ben al zevenendertig jaar dierenverzorger, de laatste elf daarvan bij Diergaarde Blijdorp in Rotterdam. Mensen denken vaak dat je bij zo'n beroep vooral met voer en hokken bezig bent. Klopt ook, voor een deel. Maar niemand vertelt je van tevoren dat je op een gegeven moment naast honderdnegentig kilo slapende gorilla staat, met je hand tegen zijn hand, en dat je nooit meer hetzelfde naar je werk kijkt.
Kaspian kwam in 2011 bij ons, als jonge mannetjesgorilla uit een fokprogramma in Duitsland. Ik was er niet bij toen hij aankwam, dat was voor mijn tijd hier, maar ik heb hem meegemaakt vanaf zijn twaalfde levensjaar, toen hij al de onbetwiste leider van zijn groep was. Twee volwassen vrouwtjes, drie jongen. Een gezin, eigenlijk, al vinden sommige collega's dat woord te menselijk voor wat er in dat verblijf gebeurt.
Elke twee jaar krijgt hij een volledige medische controle. Verdoving, dan hart, tanden, ogen, gewrichten, spieren, alles wordt nagekeken. Hartklachten zijn bij westelijke laaglandgorilla's doodsoorzaak nummer één, dus we nemen het serieus. De voorbereiding kost ons weken: de juiste dosering berekenen voor een dier van dat gewicht is geen kleinigheid, en de dierenarts, Marieke, controleert alles wel drie keer voor ze ook maar een spuit pakt.
Die ochtend in maart was het koud, een van die dagen met natte sneeuw die niet blijft liggen maar wel overal een laagje ijs achterlaat op de paden. Ik had een kop koffie bij me die ik nooit heb opgedronken, hij stond de hele ochtend koud te worden op de vensterbank van de dierenartsenkamer. Om kwart voor negen ging Kaspian onder narcose. Ik had dienst om bij hem te blijven zolang de controle duurde, zijn ademhaling in de gaten te houden, zijn pols te voelen.
Wat niemand je vertelt: een verdoofde gorilla ziet er niet vredig uit, zoals bij een operatiefilm. Hij ziet er kwetsbaar uit op een manier die je niet verwacht bij een dier dat je met één klap een arm kan breken. Zijn handen, die normaal de takken van de klimstructuur bewegen alsof het rietjes zijn, lagen daar slap, met die dikke, gegroefde vingers.
Ik zat op mijn knieën naast hem, mijn hand op zijn borstkas om zijn ademhaling te tellen, toen zijn vingers bewogen. Niet echt bewust, denk ik, meer een reflex tijdens het uitwerken van het slaapmiddel. Maar zijn hand vond de mijne en sloot zich eromheen. Ik durfde me niet te bewegen. Marieke stond op dat moment over zijn hart gebogen met de stethoscoop en zag het gebeuren, en zij was degene die tegen de fotograaf zei: maak nu een foto, snel.
De fotograaf, Sander, werkte die dag toevallig voor de nieuwsbrief van de dierentuin, iets over het broedseizoen van de flamingo's eigenlijk. Hij stond binnen dertig seconden naast ons met zijn camera. Ik weet nog dat ik dacht: mijn haar zit niet goed, wat een onzin om op zo'n moment te denken. Maar zo werkt een mens, denk ik, zelfs wanneer je hand vastzit in de vuist van een gorilla van bijna twee meter.
De foto stond drie dagen later op de website van de dierentuin en daarna overal. Duizenden reacties, mensen uit Brazilië, Japan, Canada die schreven dat ze moesten huilen. Een collega van de communicatieafdeling zei dat het de meest gedeelde foto in de geschiedenis van Blijdorp werd. Ik snapte de ophef eerlijk gezegd niet meteen. Voor mij was het gewoon dinsdagochtend.
Pas later, toen ik de reacties las, begon ik te begrijpen wat mensen erin zagen. Ze zagen een dier dat sterk genoeg is om een deur uit de scharnieren te trekken, en dat in een moment van totale weerloosheid koos, of niet koos, dat weet ik niet, voor contact in plaats van niets. Ik denk daar zelf anders over. Ik denk dat het geen keuze was in de zin waarop mensen keuzes maken. Maar ik denk ook dat het niets uitmaakt of het bewust was. Zijn hand lag om de mijne. Dat is wat er gebeurde.
De controle liep goed af. Hart in orde, tanden gaaf op één kies na die we in de gaten houden, gewrichten prima voor een dier van zestien. Marieke schreef in het dossier: geen bijzonderheden, verder gezond. Twee woorden die niets zeggen over wat er in die kamer gebeurd is, en dat is denk ik ook precies hoe het hoort. Dossiers zijn er niet voor gevoel.
Wat wél in het dossier moest komen, drie weken later, was iets anders. Ons hoofd dierverzorging, een man die ik hier verder buiten beschouwing laat omdat het niet aan mij is om hem in het openbaar af te branden, besloot dat de aandacht rond de foto een mooie kans was om de dierentuin op de kaart te zetten met een "meet the gorilla"-sessie voor sponsors. Betalende gasten, dicht bij het verblijf, extra voeractiviteiten om Kaspian actief te houden voor de camera's. Ik heb me daar fel tegen verzet in de teamvergadering. Niet omdat ik sponsorgeld verafschuw, de dierentuin heeft het geld nodig voor het nieuwe verblijf voor de olifanten, dat begrijp ik best. Maar een dier dat net wereldwijd bekend is geworden om een moment van kwetsbaarheid onder narcose, ga je niet gebruiken als attractie voor mensen met een champagneglas.
Het escaleerde. Hij noemde mij sentimenteel, zei dat ik na elf jaar nog steeds niet snapte hoe de financiering van een moderne dierentuin werkt. Ik zei dat ik na elf jaar juist heel goed wist wanneer een dier onder druk komt te staan, en dat Kaspian de afgelopen weken al onrustiger sliep door de extra bezoekersstroom bij zijn verblijf sinds de foto viral ging. Dat kon ik onderbouwen met mijn eigen observatielogboek, elke avond bijgehouden, ademhaling, tijd tot rust, aantal keer dat hij tegen het glas sloeg.
Het weekend voor de geplande sponsoravond stapte ik naar de directeur, mevrouw Verhoeven, met dat logboek onder mijn arm. Geen mening, geen emotie, alleen cijfers over vijf weken. Ze las het in stilte door aan haar bureau, sloeg de bladzijden langzaam om, en na tien minuten zette ze een streep door het evenement. Niet uit sentiment, zei ze zelf, maar omdat het risico op stress bij een fokdier van deze waarde de sponsorinkomsten niet waard was.
Kaspian weet niets van die vergadering, van het logboek, van de ruzie op de gang bij de dierenartsenkamer. Hij weet alleen dat de drukte bij zijn verblijf na een paar weken weer wegtrok, dat de bezoekersstroom terugzakte naar het normale ritme, dat hij 's avonds weer op zijn platform kon zitten zonder dat er twintig camera's tegelijk tegen het glas gedrukt stonden.
Ik ga elke ochtend nog steeds om kwart voor zeven naar zijn verblijf, met een emmer sperziebonen en wortels, en meestal zit hij daar al op me te wachten bij het hek, alsof hij de klok kan lezen. Vorige week, tijdens het voeren, kwam hij dichterbij dan normaal en drukte zijn hand tegen het glas op de plek waar ik stond. Ik legde de mijne ertegenaan, aan de andere kant van dat glas van vier centimeter dik. Geen foto deze keer, geen fotograaf toevallig in de buurt. Alleen ik, mijn emmer wortels op de grond, en een gorilla die zijn hand tegen het glas hield tot ik verder liep naar het volgende hok.
