Connect with us

NL

De Drie Miljoen Bomen van Daan de Graaf

Published

on

Ik werk al zeventien jaar achter de balie van het stadsarchief in Arnhem. Mensen komen bij mij voor bouwvergunningen uit 1954, voor de kadastrale kaart van een straat die allang is gesloopt, voor een overlijdensakte waar ze de stempel van een notaris op willen. Ik ken de geur van oud papier beter dan de geur van mijn eigen keuken. En ik dacht dat ik alles wel eens voorbij had zien komen.

Tot vorige herfst, op een dinsdag met die miezerregen die in de Betuwe overal tussendoor kruipt. Tegen vieren, net voordat we dichtgaan. De leeszaal was leeg op één man na. Hij zat er al vanaf de ochtend, een oude kerel in een groene wollen trui met leren elleboogstukken. Zo eentje die je vroeger bij de ANWB zag. Hij had zijn leesbril op zijn voorhoofd geschoven en staarde naar een ingebonden jaargang van een regionale krant uit 1936. Zijn vinger gleed steeds over dezelfde kolom, van boven naar beneden, alsof hij de letters niet vertrouwde.

Ik kende hem niet. Maar ik ken de mensen die hier komen. En deze man hoorde niet bij de genealogen die hun stamboom tot Karel de Grote terug willen, en ook niet bij de studenten die voor een scriptie foto's van afgebroken fabriekshallen komen scannen. Deze man zocht iets waar hij niet blij van werd.

Ik liep langs hem om de lamp boven de leestafel aan te doen en zag wat er op die microfiche stond. Een klein berichtje. "Boomplantdag in het Mastbos: 40.000 jonge dennen aangeplant door werkloze jongeren uit de omgeving." Daaronder een korrelige foto van een rij magere jongens met schoppen, allemaal met een pet op. De datum: maart 1936.

"Mijn vader staat daarop," zei de man, zonder op te kijken. "Derde van links. Daan de Graaf. Zeventien was hij."

Ik zei niets. Soms is zwijgen het enige wat een archiefmedewerker te bieden heeft en het is vaker genoeg dan je denkt.

Hij vertelde het in stukjes, met pauzes ertussen alsof hij elk feit eerst moest controleren op microfiche in zijn eigen geheugen. Zijn vader had op de Veluwe gewerkt in het begin van de jaren dertig, in een van die werkkampen voor jonge mannen. Niet opgepakt, nee. Vrijwillig. Naar het kamp gegaan omdat er thuis in Tiel acht monden te voeden waren en geen enkele baan. De overheid betaalde dertig gulden per maand, waarvan vijfentwintig direct naar de familie ging. Moeder kon er brood en kolen van kopen. En de vijf gulden die overbleef, bewaarde hij voor de overschoenen die hij nodig dacht te hebben voor de winter van 1937.

"Die heeft hij nooit gekocht," zei de man. "Hij gaf dat geld aan een maat van hem uit het kamp. Zo een die een zus had in Zaltbommel en geen vader meer. Toen de oorlog uitbrak, is die maat naar Engeland gevaren. Uit het raam van de trein heeft hij nog gezwaaid naar het bos waar ze samen geplant hadden."

De man had een mapje bij zich, van dat oude dunne karton met een elastiekje eromheen in de lengte. Er zat één foto in die hij liet zien, los, alsof het document zelf besmet was. Daan de Graaf als oude man, met tuinhandschoenen aan, glimlachend naast een grove den die duidelijk ouder was dan hij. Op de achterkant stond met potlood: "Zutphen, 1982. Dezelfde boom."

Het verhaal dat hij vertelde, was niet groot. Het was juist klein. Zo'n verhaal dat nergens in een geschiedenisboek staat, omdat er geen generaals in voorkomen en geen ministers. Alleen een jongen die bomen plantte waar hij zelf de schaduw nooit van zou zien.

Maar hier komt wat mij wakker hield. Het is geen verhaal met een dramawending. Geen confrontatie in de leeszaal, geen ruzie om een erfenis. Wat ik zag was gewoon een man die zijn vader terugzocht in een oude krant en hem daar vond, tussen de houtletters en de stippen van de drukpers. En dat hij, toen hij de pagina omdraaide, even met de rug van zijn hand over de microfiche streek. Zoals je over een grafsteen strijkt.

Ik ben na die dinsdag gaan tellen. Niet dat iemand me dat vroeg. Eén boom uit 1936. Maar Daan de Graaf had er geen één geplant, maar, zo bleek uit de kampverslagen die ik op zijn verzoek opgroef uit een depot in Deventer, tussen december 1935 en augustus 1939 ruim vierduizend. Vijfenzeventig per week. Sommige op de stuwwallen bij Rheden, die je vandaag vanaf de snelweg ziet staan, de hoge rechte eiken; die zijn van hem, of van jongens zoals hij.

En ik bleef tellen, want zo ben ik. Als je drie decennia in een archief werkt, word je een teller. Ik tel depots. Ik tel inventarisnummers. Ik tel de bladzijden in toegangsregisters. En dus telde ik bomen.

De oude man overleed in januari. Zijn dochter belde het archief op een woensdagochtend, of ik de kopie van dat krantenartikel kon klaarleggen. Of ik haar de microfiche kon toesturen, voor de rouwkaart. Ik zei dat ik dat niet mocht, dat de rechten bij de krant lagen. Ik hoorde haar zwijgen aan de andere kant van de lijn. Toen zei ze dat haar vader minstens één exemplaar van dat bericht verdiend had, al was het alleen maar voor de kast in de gang waar hij zijn hele leven zijn hoed op legde.

Ik heb het artikel gescand. Natuurlijk heb ik dat gedaan. Ik heb het op een USB-stick gezet, samen met de originele kampregistratie met zijn vaders handtekening op het laatste blad. Vijfenzeventig bomen per week. En ik heb het diezelfde middag op de post gedaan. "Verzonden op eigen initiatief," stond er in de interne systemen. Daar heb ik verder niets meer aan gedaan.

De uitvaart was in Zutphen. Ik ben er niet bij geweest, ik moest werken. Twee maanden later bracht een fietskoerier een doos bij het archief. De dochter had hem langs laten komen, een stevige verhuisdoos, en op het pakbonnetje stond: "Van Daan. Voor de leeszaal." Binnenin zat de groene trui van haar vader, gewassen en netjes opgevouwen, het mapje met de foto uit 1982, en een boek. Geen boek eigenlijk, een ringband. Door Daan zelf samengesteld, met uittreksels uit de archieven van het voormalig Ministerie van Landbouw, uit krantenknipsels en uit de brieven die zijn vader naar huis had geschreven.

De laatste pagina was een plattegrond van de Veluwe. Daan had er met viltstift duizenden groene stippen op gezet. Het waren er zoveel, ik geloof zo'n slordige drie miljoen, dat het papier er bol van stond. Elk stipje een boom. In de kantlijn stond de rekensom die hij had gemaakt vanaf de microfiche, de registratieformulieren, de brieven van het kamp, de betalingskwitanties van het arbeidsbureau in Zutphen. Vanaf zijn zeventiende tot zijn drieëntachtigste. Drie miljoen bomen had zijn generatie gepoot. "Niet mijn vader alleen," stond eronder.

Ik heb de ringband in bruin pakpapier gewikkeld en in de kast bij de regionale topografie gezet. Niet gecatalogiseerd. Gearchiveerd kan later nog. Soms staat er wel eens iemand bij die kast te kijken. Leest iemand het boek. En ik tel door, zoals ik altijd doe. Alleen nu tel ik bomen.

Click to comment

Leave a Reply

Ваша e-mail адреса не оприлюднюватиметься. Обов’язкові поля позначені *

один × 5 =

Також цікаво:

BG7 хвилин ago

# Апартамент, обзаведен за четиристотин хиляди лева, и едно телефонно обаждане, което издаде всичко

Самолетът за Варна трябваше да излети в 11:40. Отмениха го заради бурята над Стара планина, докато Борислав Христов стоеше на...

IT13 хвилин ago

Il capannone di Matteo

Io e Nadia ci siamo lasciati che il capannone puzzava ancora di vernice fresca. Diciassette anni di officina a Cesena,...

CZ15 хвилин ago

Slavná tanečnice z Vinohrad a její muž, o kterém psaly všechny bulváry

Tohle je příběh, který se mnou nikdo neprožil, protože jsem ho celé roky držel v sobě. Ale ty fotky, co...

NL28 хвилин ago

De Drie Miljoen Bomen van Daan de Graaf

Ik werk al zeventien jaar achter de balie van het stadsarchief in Arnhem. Mensen komen bij mij voor bouwvergunningen uit...

NL28 хвилин ago

De Drie Miljoen Bomen van Daan de Graaf

Ik werk al zeventien jaar achter de balie van het stadsarchief in Arnhem. Mensen komen bij mij voor bouwvergunningen uit...

PT37 хвилин ago

Rosana e a Vistoria da Régua Retrátil

Trabalho como corretora de imóveis em Curitiba desde 2011, e no meu ofício a gente aprende a reconhecer, só de...

FR51 хвилина ago

Le tiroir aux clés d’Amélie

Amélie avait quarante et un ans quand elle a compris que sa vie tenait dans un tiroir. Pas dans la...

LT1 годину ago

Farerų salų grindadráp: kraujo jūroje banginių motinos lydi veršelius iki mirties

Ramunė Vasiliauskienė mokėjo skaičiuoti pinigus iki cento — dvidešimt septyneri metai buhalterijoje išmokė. Todėl kai jos vyras Algirdas parvažiavo iš...