NL
Het paard dat niemand kwam bezoeken
Ik heet Bernadette Hulshoff, ben eenenzestig en run al zeventien jaar een manege bij Bennekom, vlak buiten Wageningen. Ik schrijf dit niet omdat iemand erom vroeg, maar omdat ik twee jaar lang iets heb gezien wat ik niet anders kon verklaren dan zoals een vrouw van de universiteit van Turijn het me ooit uitlegde, in een ochtendprogramma dat ik toevallig aanzette.
In box elf stond een ruin die Sultan heette. Bruin, met een litteken op zijn linkerschouder van een oud ongeluk. De eigenaar, meneer Dekkers, betaalde de stalling trouw, elke maand driehonderdvijftig euro per bank, maar hij kwam zelf bijna nooit langs. Hij had het paard voor zijn dochter gekocht, zij was naar Groningen vertrokken om te studeren en nooit meer op de rijschool teruggekomen, en zo bleef het paard gewoon staan. Het at, ging naar de paddock, en dat was het wel.
Ernaast, in box twaalf, stond een merrie die Roosje heette. Oud, tweeëntwintig jaar, feitelijk met pensioen. Haar eigenaresse, mevrouw Joke, kwam elke zondag met een thermoskan koffie, ging op een klapstoeltje voor de box zitten en las de krant. Roosje en Sultan hadden aangrenzende boxen met een lage tussenmuur, zodat ze bij elkaar konden komen met hun koppen. En dat deden ze, elke dag, wel een half uur 's ochtends en nog eens zo lang 's avonds: ze vlooiden elkaar in de nek, precies achter het oor, steeds op dezelfde plek.
Ik heb dat honderden keren gezien, want mijn "kantoor", als je het zo mag noemen, is een bureau op de gang, twee boxen verderop, tussen de zakken haver en het kastje met verbandspullen. Daar at ik mijn boterhammen in de pauze, want naar huis rijden kostte veertig minuten en ik bleef liever ter plekke om alles in de gaten te houden.
Ergens aan het begin van het tweede jaar viel me iets vreemds op. Als Sultan een slechte dag had — en dat kwam voor, de dierenarts vermoedde stressgerelateerde koliek, die steeds terugkwam — begon Roosje al in haar box onrustig te worden voordat ik zelf doorhad dat er iets mis was. Ze snoof, stopte met hooi eten, liep naar de tussenmuur en wachtte. Ik vroeg onze dierenarts, Van Beek, ooit of het mogelijk was dat het ene paard de pijn van het andere aanvoelde. Hij zei dat hij het niet zeker wist, maar dat er in de vakliteratuur wel aanwijzingen voor waren, en dat ik het maar aan die mensen in Turijn moest vragen, want die hadden er groot onderzoek naar gedaan.
Ik heb niemand in Turijn iets gevraagd, hoe zou ik. Maar ik onthield het.
Die winter dook meneer Dekkers op, voor het eerst in vier maanden. Hij kwam niet om te rijden, maar om te zeggen dat hij het paard ging verkopen. Zijn bedrijf zat midden in een reorganisatie, driehonderdvijftig euro per maand was te veel geworden, en het paard, zoals hij het zelf stelde, "stond er toch maar nutteloos bij". De advertentie hing drie weken op ons prikbord. Eén gegadigde meldde zich, uit Ede, op zoek naar een recreatiepaard, bekeek Sultan, zei dat hij hem te oud vond, en vertrok weer.
Mevrouw Joke kwam in die periode elke dag, niet meer alleen op zondag. Ik zag haar bij de tussenmuur staan kijken hoe Roosje en Sultan hun ding deden, dat vlooien in de nek, dat ritme dat als een klok terugkeerde. In februari, bij een vorst van min zeven op de thermometer in de stal, kwam ze met een voorstel naar me toe. Ze zei dat ze Sultan van meneer Dekkers wilde overkopen, voor welk bedrag hij ook vroeg, als het paard maar bleef staan, in de box naast Roosje.
Ik belde meneer Dekkers. Hij zei dat hij duizend euro voor het paard wilde, precies wat hij er zelf vijf jaar eerder voor had betaald, geen cent meer of minder, want hij ging niet onderhandelen over iets wat hem toch al niets meer kon schelen. Ik gaf dat door aan mevrouw Joke. Ze twijfelde geen moment, haalde een envelop uit haar tas, alsof ze die speciaal voor deze gelegenheid had klaargemaakt, en zei dat ik het geld meteen kreeg en de papieren maar moest regelen, want daar had zij geen verstand van.
Ze tekenden het contract bij ons op kantoor aan de Stationsweg, ik was getuige. Meneer Dekkers kwam een kwartiertje langs, tekende, nam het geld aan en liep niet eens even de stal in om het paard voor de laatste keer te zien. Hij stapte in zijn auto en reed weg.
Diezelfde middag kwam mevrouw Joke naar de stal met een nieuw naambordje voor de box — ze had het bij de slotenmaker in het dorp laten graveren, "Sultan — eigenaar: Joke Verstappen" — en hing het met eigen handen naast het bordje van Roosje. Ze maakte er geen plechtigheid van, huilde niet, niets van dat alles. Ze zette haar thermoskan op het stoeltje, ging tussen de twee boxen zitten, zo dat ze beide koppen tegelijk kon zien, en wachtte tot de paarden weer zouden doen wat ze twee jaar lang al deden.
Ze stonden zo een half uur, kop tegen kop over de tussenmuur, hetzelfde ritme als altijd. Ik stond in de deuropening met een boterham in mijn hand en zag hoe die oude vrouw haar inmiddels koude koffie dronk zonder haar ogen van de twee paarden af te halen — paarden die niet wisten dat er zojuist duizend euro was betaald zodat ze konden blijven doen wat niemand hun ooit had geleerd.
