Connect with us

NL

Bregje van Alkemade en het woord polytropos

Published

on

Bregje van Alkemade was drieënveertig, toen ze in haar woning aan de Nieuwe Herengracht in Utrecht, tussen een stapel woordenboeken en koud geworden thee, in het manuscript één woord doorstreepte en een ander opschreef. Het was half februari, buiten werd het al om drie uur donker, en ze zat gebogen over een Griekse tekst van tweeënhalfduizend jaar oud, zich afvragend waarom er honderdvijftig jaar lang niemand had gevraagd wat dat ene Griekse woord aan het begin van het gedicht nu eigenlijk betekende.

Ze doceerde al twaalf jaar klassieke talen aan de Universiteit Utrecht, aan studenten die met thermosflessen koffie en vragen als "waarom moeten we nu nog Homerus lezen" op college verschenen. Ze was min of meer bij toeval aan de vertaling van de Odyssee begonnen — ze had het proefschrift van een collega beoordeeld, stuitte op een passage over de slavinnen in het huis van Odysseus, en er klopte iets niet. Alle Nederlandse vertalingen die ze kende, noemden deze vrouwen "dienstmeisjes" of "meiden". In het origineel stond iets anders.

Een uitgeverij uit Amsterdam betaalde haar achttienduizend euro voorschot voor deze vertaling en plande een oplage van tweeduizend exemplaren — de eerste nieuwe Nederlandse Odyssee-vertaling in dertig jaar. Ze had het contract in januari getekend, het manuscript moest eind april klaar zijn. Drie maanden voor vierentwintig zangen, in avonduren, tussen colleges door en het ophalen van Wouter van school. Van het voorschot had ze de helft al opgemaakt: een nieuwe wasmachine, de inhaalles Latijn voor Wouter, de achterstallige contributie van de roeivereniging. Als het manuscript niet kwam, of niet werd aanvaard, moest dat geld terug, en ze had geen idee waar ze het vandaan zou halen.

Ze begon bij de eerste regel. Odysseus wordt in het Grieks aangeduid met het woord *polytropos* — iemand met vele wegen, die van richting verandert, die zich moeilijk laat vastpinnen. Ze schreef: "een man van vele gedaanten". Een collega van de faculteit, toen ze dit op de gang hoorde, trok alleen haar wenkbrauwen op en zei: "Bregje, je maakt hem zwart." Bregje antwoordde dat ze hem niet zwart maakte — ze poetste hem alleen niet op.

Het echte probleem wachtte in de tweeëntwintigste zang. Het Griekse woord *dmōaí* — vrouwen die eigendom waren van het huishouden, zonder recht van weigering, zonder mogelijkheid om weg te gaan. Bestaande vertalingen noemden hen "dienstmeisjes" of "hofmeisjes". Bregje schreef: "slavinnen". Ze zat tot twee uur 's nachts boven die ene zin, vel na vel verfrommeld naast de prullenbak, want elke keer dat ze "dienstmeisjes" schreef, voelde ze dat ze loog, en elke keer dat ze "slavinnen" schreef, hoorde ze in gedachten al de stemmen van hen die zouden zeggen dat ze overdreef. Telemachos laat hen ophangen omdat ze met de vrijers van zijn moeder hadden geslapen. Met "dienstmeisjes" werd het een verhaal over ontrouw personeel. Met "slavinnen" — over vrouwen die geen keuze hadden gehad, niet toen de vrijers hen dwongen, en niet toen ze ervoor gestraft werden.

Om twee uur 's nachts belde ze haar oud-promotor uit haar Leidse tijd, de zeventigjarige hoogleraar Aleida Ruysbroek, die niet sliep, omdat ze nooit voor vier uur sliep. Bregje las haar de passage voor, rechtstreeks van het laptopscherm, in de keuken, om Wouter niet wakker te maken.

"En, ben je bang voor dat woord?" vroeg Ruysbroek.

"Ik ben bang dat de uitgeverij het schrapt. En dan het voorschot terugvordert."

"Dat kan. Wat kies je dan?"

Bregje zweeg zo lang dat Ruysbroek dacht dat de verbinding was weggevallen. Toen zei ze: "Ik verander het niet."

's Ochtends stuurde ze het fragment naar haar eindredacteur, Coen Terpstra, met de opmerking dat dit de definitieve versie was. Zijn antwoord kwam twee dagen later, en het was geen verzoek meer om te "praten" — het was een telefoontje. De uitgeverij, zei hij, had juridisch advies ingewonnen over "mogelijke imagoschade bij het onderwijssegment"; twee middelbare scholen die al hadden toegezegd de vertaling als leesmateriaal te gebruiken, hadden gevraagd om vooraf het manuscript te mogen inzien. Als Bregje "slavinnen" liet staan, kon de uitgeverij de oplage niet garanderen zoals afgesproken, en zou ze moeten bekijken of het contract nog "in deze vorm haalbaar" was. Coen formuleerde het voorzichtig, maar de boodschap was helder: schrap het woord, of we heroverwegen de vertaling, het voorschot, alles.

Ze legde de telefoon neer en bleef aan de keukentafel zitten met haar handen om een lege beker, terwijl ze het bedrag optelde dat ze al had uitgegeven en het bedrag dat ze niet had. Wouter kwam de trap af voor een glas water en zag haar daar zitten, zonder laptop open, zonder pen, wat hij nog nooit had meegemaakt.

"Is er iets met je boek?"

"Ze willen dat ik een woord verander."

"Verander het dan toch," zei hij, en hij vulde zijn glas bij de kraan. "Het is maar één woord."

Ze zei niets terug. Ze legde de volgende ochtend een brief op tafel voor Coen, met de hand geschreven, waarin ze het woord handhaafde en aanbood het voorschot in termijnen terug te betalen als de uitgeverij besloot het contract te ontbinden. Ze rekende uit, op de achterkant van een studietoets die ze nog moest nakijken, hoeveel maanden ze zou moeten bijklussen met vertaalwerk voor een taalbureau om achttienduizend euro terug te betalen. Het kwam neer op anderhalf jaar extra werk naast haar aanstelling.

Coen belde niet meer terug die week. Pas na negen dagen — negen dagen waarin Bregje elke ochtend haar rekening controleerde en 's avonds doorwerkte aan de resterende zangen alsof er niets aan de hand was, omdat stoppen erger voelde dan wachten — kwam er een mail. De uitgeverij liet het woord staan. Niet omdat iemand overtuigd was, schreef Coen, maar omdat de twee scholen, na het lezen van het integrale fragment met context, juist hadden laten weten dat ze de vertaling om deze reden wilden gebruiken. Het risico was, tegen alle verwachting in, in haar voordeel omgeslagen.

Ze leverde het manuscript in april in, een dag voor de deadline. De vertaling verscheen in het najaar, gebonden, met een nawoord van dertig pagina's van haar eigen hand.

In november, op de Boekenweek in Amsterdam, kwam hoogleraar Reinout Sijbesma van de Universiteit van Amsterdam, auteur van zijn eigen, onvoltooide Odyssee-vertaling waar hij al jaren aan werkte, naar de tafel waar Bregje exemplaren zat te signeren.

"Mevrouw moderniseert Homerus wel erg naar eigen inzicht," zei hij, terwijl hij haar boek oppakte en door de bladzijden bladerde alsof het iets weerzinwekkends was. "'Slavinnen'. Homerus schreef epen, geen strafdossiers."

"Homerus schreef *dmōaí*," antwoordde Bregje, terwijl ze doorging met signeren voor de rij die achter hem stond te wachten. "Ik ben alleen gestopt met het vertalen als 'dienstmeisjes'. Dat heeft me bijna het hele contract gekost."

"Dit gaat op scholen gelezen worden."

"Precies daarom heb ik het zo geschreven. En precies daarom hebben ze het uiteindelijk laten staan."

Sijbesma legde het exemplaar terug op de tafel, zonder te kopen, en liep weg zonder verder iets te zeggen. De rij achter hem bleef even stil, tot een studente met een stapel boeken onder haar arm zei dat ze het toch wel wilde kopen, en haar exemplaar aanreikte om te laten signeren.

Wouter had die middag meegeholpen met de kraam, dozen uitpakken en wisselgeld tellen in een sigarendoos, en had het hele gesprek met Sijbesma van dichtbij gevolgd. Toen de rij even opdroogde, schoof hij een exemplaar naar zijn moeder toe — niet om te laten signeren, maar opengeslagen bij de tweeëntwintigste zang, bij het woord waarover hij haar nooit iets had gevraagd. Hij had er met potlood, in de kantlijn, een klein sterretje bij gezet, zoals hij op school deed bij antwoorden waarvan de leraar zei dat ze goed waren. Hij zei er niets bij en liep terug naar de dozen om verder te tellen.

Drie weken later verscheen Sijbesma's recensie in een filologisch tijdschrift — dezelfde zin over "Homerus naar eigen inzicht moderniseren", uitgewerkt tot vier pagina's. Bregje las hem aan de keukentafel, terwijl Wouter aan de andere kant van het blad zijn huiswerk maakte. Ze vouwde de vellen dubbel en legde ze naast de waterkoker, naast het exemplaar met het potloodsterretje, dat daar al drie weken lag.

Click to comment

Leave a Reply

Ваша e-mail адреса не оприлюднюватиметься. Обов’язкові поля позначені *

одинадцять − три =

Також цікаво:

IT5 хвилин ago

Il grembiule di Adriana e le chiavi che non voleva rendere

Ottantun anni, un grembiule a fiori sempre legato in vita e una risata che partiva dalla pancia: così la conoscevano...

HU1 годину ago

Tudom, hogy nem hozzám szólt ez a levél, anyósom nem az én anyámat gyászolta benne – mégis az én kezembe került, és attól kezdve nem tudtam kiverni a fejemből.

Kovács Bencének hívnak, negyvenhárom éves vagyok, autószerelő műhelyem van Szolnokon, a Tiszaligeti út végén, ott, ahol a város már kifullad...

LT1 годину ago

Vytauto dešra po paltu

Buvau dešimties, kai tėvas grįžo namo su kažkuo, ką laikė įsikišęs po paltu prie krūtinės, tarsi neštų ne maisto gabalą,...

HU1 годину ago

Az utolsó cseppentő kilencedik napon

A garzon ajtaján épp a kilincs kattant, amikor Bori rájött, hogy megint kihűlt a vacsora. Fél kilenc volt, egy órával...

NL1 годину ago

Bregje van Alkemade en het woord polytropos

Bregje van Alkemade was drieënveertig, toen ze in haar woning aan de Nieuwe Herengracht in Utrecht, tussen een stapel woordenboeken...

HU1 годину ago

Kovács Ilona műhelye, száztizenöt méterre a Váci úttól

„Minden nap elmondom magamnak: a kor a fejben van, a test azt csinálja, amit parancsolok neki." Kovács Ilona harminc éve...

HU2 години ago

A negyvenhét éves nő, aki visszavette a kulcsokat

– És te tulajdonképpen mit csinálsz az életedben? – Nevetek. Néha saját magamon is. Nevetek, amikor az emberek gonoszkodnak, mert...

HU3 години ago

Zöldbab fél kilenckor

Anyu szerda reggel fél kilenckor hívott, épp amikor egyik kezemmel a kávémat próbáltam meginni, a másikkal az autókulcsot kerestem, és...