NL
Het gezicht in de wachtkamer
Ik werk al zeventien jaar als doktersassistente bij de huisartsenpraktijk aan de Vondelstraat in Almelo, en normaal gesproken onthoud ik geen gezichten. Op een dinsdagmiddag, half vier, zat er een vrouw van in de veertig op de derde stoel van links, met een jongen van een jaar of vijftien naast zich. Hij had een koptelefoon om zijn nek hangen en keek strak naar het linoleum.
Ik moest langs hen heen om het wachtkamerscherm te resetten — het systeem hing weer eens vast, zoals elke dinsdag na de lunch. Terwijl ik voorbijliep, hoorde ik haar zeggen, niet hard, maar met een soort dwang in haar stem: "Je gaat gewoon naar binnen en je zegt het zelf tegen de dokter. Niet ik voor jou."
De jongen mompelde iets terug, iets met "waarom moet dat nou weer" erin, en zij zei: "Omdat ik er niet altijd zal zijn om het voor je te zeggen."
Ik dacht er niet meer over na. Er kwam een patiënt met hoge bloeddruk binnen, ik moest een recept voor metformine klaarleggen, de telefoon ging twee keer. Rond kwart voor vijf, toen de wachtkamer al bijna leeg was, zag ik ze weer — nu buiten, op het bankje bij de fietsenstalling. Ik had net een raam opengezet om de geur van ontsmettingsmiddel weg te laten trekken, en door de kier hoorde ik stukken van wat ze zei.
Ze had het niet meer over de dokter. Ze zat met haar handen om een thermoskan koffie en zei dingen als: "Je denkt dat ik streng ben omdat ik niet van je hou. Maar ik ben streng omdat ik wél van je hou. Anders had ik allang gezegd: doe maar wat je wilt."
De jongen — Daan, hoorde ik haar later noemen, toen ze hem riep om zijn jas dicht te doen tegen de wind — zei niets. Hij trok aan een los draadje van zijn mouw.
Ik ken dat gezin een beetje, van de kaartenbak. De moeder heet Marieke, ze is alleenstaand sinds een jaar of vijf, werkt in de thuiszorg, komt zelf ook regelmatig met rugklachten. Ik weet niet wat er precies speelde die middag — of het over school ging, over een vriendengroep waar hij niet meer bij hoorde, of over iets van thuis. Dat soort dingen staat niet in het dossier.
Wat ik wél weet: twee weken later kwam ze alleen langs, zonder afspraak, aan de balie. Ze wilde alleen een folder over pubers en faalangst, die we hier in een bakje bij de deur hebben liggen. Ze pakte er twee — één voor zichzelf, zei ze, en één "voor als hij er straks aan toe is om het zelf te lezen."
Ik gaf haar de folders en zei dat het bakje elke maand wordt bijgevuld, mocht ze meer nodig hebben. Ze knikte, stopte ze in haar tas, naast een boodschappenlijstje en een pinpasje van de Rabobank, en liep de regen in zonder paraplu.
Ik heb Daan daarna nog een paar keer gezien, altijd rond de vaccinatieoproepen. Hij groeide, zoals jongens dat doen — ineens een kop groter dan zijn moeder, stem een octaaf lager. Op een dag, hij moet toen een jaar of zeventien zijn geweest, kwam hij alleen binnen voor een blessure aan zijn enkel, opgelopen bij het voetballen op het veld van SC Almelo. Terwijl de dokter zijn enkel bekeek, vroeg hij aan de verpleegkundige, half grappend, of "moeders eigenlijk ooit toegeven dat ze te streng waren."
Ik was daar toevallig bij, met een stapel dossiers in mijn armen, en zei niets — dat is niet aan mij. Maar ik moest denken aan die dinsdagmiddag op het bankje, aan de thermoskan koffie, aan "ik ben streng omdat ik wél van je hou."
Het laatste wat ik van die twee weet, is van een paar maanden geleden. Marieke kwam voor een herhaalrecept en vertelde, terwijl ik haar burgerservicenummer intypte, dat Daan was aangenomen voor een opleiding werktuigbouwkunde in Enschede en op kamers ging. Ze zei het luchtig, tussen neus en lippen door, maar ze had een setje reservesleutels van zijn nieuwe kamer in een envelop in haar tas zitten — voor het geval hij zichzelf buitensloot, legde ze uit, al wist ze zelf ook dat hij dat waarschijnlijk nooit zou laten gebeuren.
Ik zag haar naar de deur lopen, de envelop nog in haar hand, alsof ze hem nog niet had kunnen wegleggen. Bij de uitgang bleef ze even staan om de deur voor een oudere man open te houden, en toen was ze weg — de parkeerplaats op, langs de fietsenstalling waar ze jaren eerder met haar zoon had gezeten, koffie drinkend, tegen de wind in pratend over iets wat hij toen nog niet kon horen.
