NL
Veertien euro voor een potje “ambachtelijke” zuurkool
Ik heet Sander, ben negenendertig en ik ben getrouwd met Marieke. Zij is degene die al een jaar lang, elke twee weken, potten zuurkool haalt bij die delicatessenzaak aan de Weteringschans – veertien euro per pot, mooi etiket, handgeschreven prijskaartje. "Dit is toch echt iets anders dan wat mijn moeder maakt, Sander," zegt ze dan, en ik knik maar wat, want discussiëren over zuurkool met mijn vrouw is niet iets waar ik energie in wil steken.
Mijn moeder heet Ria, ze is vierenzestig en woont nog in het huis in Zaandam waar ik ben opgegroeid. Al bijna vijftig jaar maakt ze haar eigen zuurkool, in dezelfde aardewerken pot die op zolder heeft gestaan sinds mijn vader nog leefde. Hij is zes jaar geleden overleden. De pot is gebleven, net als de kelderkast waar hij nu staat, naast de aardappelen en de weckflessen met bramenjam.
Ik moet eerlijk zijn over mezelf: ik ben niet de man die confrontaties zoekt. Als Marieke iets zegt over "die ouderwetse manier van mijn moeder om alles zelf te maken, terwijl er zoveel goede ambachtelijke dingen te koop zijn", dan hoor ik dat wel, en ik vind het ook niet leuk, maar ik zeg niks. Deels uit lafheid, dat geef ik toe. Deels omdat ik denk: laat ze. Ze bedoelt het niet kwaad, ze is gewoon opgegroeid met een moeder die alles uit de Albert Heijn haalde en denkt dat "zelf maken" ouderwets en een beetje zielig is.
Wat ik van mijn moeder wel weet – en wat Marieke niet weet – is hoeveel dat haar heeft geraakt. Vorig jaar augustus kwam ik bij haar langs om potten op te halen voor ons, zoals altijd. Dertig potten zuurkool, ze had het weer helemaal alleen gedaan, met haar handen die inmiddels bruine vlekken van de kurkuma en littekens van hete pannen hebben. Ik pakte er tien mee. De dag erna belde Marieke me op mijn werk – ik zit bij een verzekeringskantoor in Amstelveen – en zei dat ze het waardeerde, maar of ik tegen mijn moeder kon zeggen dat ze niet zoveel hoefde te maken. Ze had nu iets ambachtelijks gevonden, met de juiste bacteriecultuur, "hemelsbreed verschil met zelfgemaakt".
Ik heb het doorgegeven. Ik zag mijn moeder aan de telefoon niet, maar ik hoorde de stilte die volgde wel. Twee seconden, misschien drie. Toen zei ze: "Oké, jongen. Geen probleem." En legde op.
Wat ik toen niet wist – wat ze me pas veel later vertelde, op een zondagmiddag terwijl we samen aardappels schilden voor de stamppot – is dat ze daarna alleen aan de keukentafel is blijven zitten. Ze keek naar haar handen. Ze dacht aan mijn vader, die ooit tegen haar had gezegd dat ze nooit iets kon loslaten. Hij bedoelde het niet als compliment, maar zij droeg het als een soort erecode.
In oktober was Marieke's verjaardag. Mijn moeder kwam, zoals altijd, met iets zelfgemaakts – dit keer vijf augurken uit haar beste pot, stevig en knapperig, met een kersenblaadje op de bodem tegen de zachtheid. Wat ze deed voordat de gasten kwamen, heb ik zelf gezien, want ik hielp met de tafel dekken: ze vond in de koelkast een leeg potje van die dure delicatessenzaak, mooi donkergroen glas met een retro-etiket. Ze schepte haar eigen augurken erin, deed er een scheutje van haar eigen pekel bij, en zette het potje discreet terug tussen de kaas en de hummus.
Ik zei niets. Ik weet niet eens meer waarom niet – misschien omdat ik het amper doorhad wat er precies gebeurde, misschien omdat een deel van mij het wel grappig vond.
Marieke's zus nam er drie keer van. Een collega van Marieke vroeg waar ze dat kocht. En Marieke zelf – mijn vrouw, die het jaar daarvoor had gezegd dat zelfgemaakte zuurkool "niet meer van deze tijd" was – nam een hap met brood erbij en zei tegen de tafel: "Proeven jullie die fermentatiekwaliteit? Dat proef je meteen. Zelfgemaakt komt daar totaal niet aan."
Ik keek naar mijn moeder. Ze glimlachte niet triomfantelijk, ze at gewoon door met haar vork in de appeltaart die ze zelf had gebakken. Dat verbaasde me het meest. Geen enkel teken van genoegdoening op haar gezicht – alleen een soort rust die ik daarvoor nooit bij haar had gezien wanneer het over Marieke ging.
Sindsdien is het een vast ritueel geworden, en dat is het punt waarop ik zelf ben gaan meewerken, al zeg ik daarmee ook iets over mezelf dat niet per se aardig is. Om de twee weken rijd ik naar Zaandam, mijn moeder geeft me een tas met, ingepakt in een oude Volkskrant, haar eigen potten. Ik zet ze thuis stiekem in de koelkast. Marieke koopt nog steeds haar dure potjes, schept ze over in schaaltjes en neemt ze mee naar haar werk zodat haar collega's kunnen watertanden. Maar thuis, gewoon op een doordeweekse avond bij de aardappels, pakt ze uit de koelkast wat sneller op is dan de rest.
Ik heb Marieke nooit verteld dat ze al een jaar lang mijn moeders zuurkool eet en denkt dat het uit een winkel komt. Onze buurman, Kees, die alles doorheeft wat er in de straat gebeurt, zei laatst tegen mij toen we allebei buiten stonden met de vuilniszakken: "Jongen, jij moet daar iets van zeggen. Dit kan zo niet blijven duren." Ik zei dat hij gelijk had. Ik deed er niks mee.
Want wat zou het veranderen? Marieke zou zich betrapt voelen, misschien beschaamd, misschien juist boos op mij omdat ik het al die tijd wist en niks zei. Er zou spanning zijn met de kerst. En ik – ik zou moeten toegeven dat ik, uit gemakzucht en een soort stille wraak namens mijn moeder, een leugen heb laten voortbestaan die inmiddels al bijna een jaar duurt.
Vorige week gebeurde er iets waar ik niet op had gerekend. Marieke belde mijn moeder zelf op – iets wat ze bijna nooit deed zonder dat ik het initiatief nam. Ik hoorde alleen haar kant van het gesprek vanuit de woonkamer, terwijl ik deed alsof ik naar het NOS Journaal keek. "Ria, ik zou het eigenlijk wel eens willen proberen, zelf inmaken. Zou jij het me kunnen leren?"
Ik zag mijn moeder daar niet bij, maar ik weet – want ze vertelde het me zondag toen ik weer aardappels bij haar aan het schillen was, dezelfde stamppot-traditie als altijd – dat ze op dat moment heel even niets zei. Dat ze bijna alles had willen vertellen: over het potje, over de verjaardag, over het jaar aan stiekem wisselen. In plaats daarvan zei ze alleen: "Natuurlijk, meisje. Kom zaterdag maar langs."
Zaterdag is het zover. Ik rijd Marieke naar Zaandam, en onderweg vraagt ze me nog of ik denk dat het moeilijk is, dat inmaken. Ik zeg dat ik het niet weet, wat een leugen is, want ik heb het mijn moeder tientallen keren zien doen. In de keuken staat de aardewerken pot al klaar op tafel, samen met dille, knoflook en een blaadje mierikswortel. Mijn moeder heeft haar handen al onder de kraan.
Ik weet niet of ze het gaat vertellen. Ik weet niet of ik het zelf ga vertellen, ergens tussen het zout en de dille door, terwijl Marieke geconcentreerd toekijkt hoe je een komkommer precies in de pekel moet drukken zodat hij niet drijft. Misschien vertelt niemand van ons iets, en eten we over drie weken gewoon samen van dezelfde pot, zonder etiket, zonder winkel, zonder veertien euro. Wat ik wel weet: toen we vanmorgen wegreden en Marieke de aardewerken pot noemde die ze bij mijn moeder had gezien – "die stond er vroeger toch ook al?" – zei ik voor het eerst in een jaar precies wat ik dacht. "Ja. Die staat er al sinds voor ik geboren ben." Marieke knikte, en zei niets meer over ambachtelijk of niet. Ze keek gewoon uit het raam, naar de weilanden langs de A8, en hield de aardewerken pot straks in gedachten al vast alsof hij van haar was.
