З життя
De vroege bedtijd van mevrouw Verhoeven
Ik ben loodgieter, drieënveertig jaar, en ik kom al bijna twintig jaar bij de familie Verhoeven in de Schilderswijk in Den Haag. Klein rijtjeshuis, jaren dertig, de leidingen daar hebben altijd wat nodig. Zo ben ik erbij betrokken geraakt, zonder dat ik het zocht.
Die avond in maart was ik er voor een lekkage onder de gootsteen, ergens rond kwart voor acht. Meneer Verhoeven, Wim, zevenenzeventig, deed open in zijn ochtendjas hoewel het nog vroeg was. Achter hem hoorde ik de radio, een of ander praatprogramma over de stikstofcrisis, veel te hard. Op tafel stond nog een bord met de restjes van hutspot, koud geworden.
"Ze slaapt al," zei hij, toen ik vroeg of mevrouw thuis was. Half acht 's avonds. Ik zei niets, ik draaide de moersleutel om de leiding en dacht: gekke tijd voor iemand van vijfenzeventig om al onder de wol te kruipen.
Dat was niet de eerste keer dat ik het merkte. Een paar weken eerder was ik er voor de verwarmingsketel, en toen zat mevrouw Verhoeven, Corrie heet ze, nog aan de keukentafel met een tijdschrift, kwart over negen. Ze vroeg of ik koffie wilde, zette de waterkoker aan, en terwijl die stond te borrelen zei ze iets wat ik niet meteen begreep: "Als hij straks de tv aanzet voor het weer, dan ga ik naar boven. Dat is mijn seintje."
Ik dacht er niet meer over na tot die avond in maart. Onder de gootsteen, met mijn hoofd half in het kastje, hoorde ik ze praten in de woonkamer. Niet ruzie, niets dramatisch. Gewoon Wim die zei: "Ga je al?" En Corrie, met haar hand al op de trapleuning: "Ik ben moe." Maar haar stem klonk niet moe. Klonk eerder als iemand die een excuus aan het inpakken is om ermee weg te kunnen.
Ik had die kraan al drie keer gerepareerd in twee jaar, dus ik wist inmiddels ook waar de sleutel van de meterkast lag, en waar Corrie haar handcrème bewaarde op het aanrecht — een tube van de Kruidvat, altijd dezelfde. Zulke dingen zie je, als je vaak genoeg in iemands huis over de vloer komt.
Een week later moest ik terugkomen, de reparatie hield het niet. Deze keer was het zaterdagmiddag, en Corrie was alleen thuis — Wim was naar de bouwmarkt in Rijswijk voor schroeven die hij eigenlijk niet nodig had, denk ik. Ze zette koffie, echte, met een schaaltje stroopwafels erbij, en terwijl ik onder de gootsteen lag vroeg ze me iets waarvan ik schrok, alsof ze het al een tijd kwijt wilde en ik toevallig de eerste was die langskwam.
"Denkt u dat het normaal is, na vijfenveertig jaar getrouwd, dat je 's avonds liever een boek leest dan naast je man zit?"
Ik legde de moersleutel neer. Zei dat ik daar niet echt verstand van had, ik kwam voor de leidingen. Ze lachte, een beetje verlegen, en vertelde toch door — misschien omdat ik niemand was die er iets mee kon doen, geen buurvrouw die het verder zou vertellen op straat.
Sinds Wim met pensioen was, twee jaar geleden bij de gemeente vandaan, was hun avond elke dag hetzelfde geworden. Journaal, dan een quiz, dan voetbal als het seizoen liep. Corrie zat ernaast, maar ze keek allang niet meer echt. Ze was begonnen met steeds vroeger naar boven te gaan — half elf werd tien uur, werd half tien, werd op een gegeven moment negen uur. Ze zei tegen zichzelf dat ze moe was. Maar ze wist ook wel beter.
"We hebben elkaar niets meer te vragen," zei ze, terwijl ze de stroopwafel in tweeën brak zonder hem op te eten. "We wonen samen, we eten samen, en toch is het net of ik alleen ben vanaf acht uur 's avonds."
Ik heb er verder niets over gezegd. Zo werkt dat niet, in mijn beroep — je repareert de kraan en je gaat weer weg, wat er in de huiskamer speelt is niet aan jou.
Maar de volgende afspraak, ergens in mei, voor het jaarlijkse onderhoud van de ketel, was er iets anders. De televisie stond niet aan toen ik binnenkwam. Op tafel lagen twee kopjes thee en een stapel kaarten voor het jokeren, half uitgedeeld. Wim deed open, en hij zag er anders uit — niet in zijn ochtendjas, gewoon aangekleed, alsof de avond nog ergens naartoe ging.
"Twee avonden per week, geen tv," zei hij, toen hij zag dat ik naar de kaarten keek. Hij zei het bijna verontschuldigend, zoals mannen dat doen als ze toegeven dat er iets is veranderd zonder dat ze het een naam durven geven. "Corrie's idee. Ik dacht eerst, wat moet dat voorstellen, kaarten op mijn leeftijd. Maar goed."
Corrie kwam de trap af met een fietstas — ze ging op donderdagavond naar een leesclub in het buurthuis aan de Weimarstraat, vertelde ze me terwijl ze haar jas aantrok. Wim keek voetbal op de andere avonden, gewoon, dat was niet veranderd. Maar er was iets bijgekomen: wandelingen langs het Zuiderpark op zondagochtend, en op de koelkast hing met een magneet een briefje met een filmtijd erop, iets in Filmhuis Den Haag dat ze samen wilden gaan zien.
Ik ben er nog een paar keer geweest dat jaar, kleine klusjes, een lekkende radiator, een stopcontact dat niet meer werkte. Op een avond in oktober kwam ik langs voor iets kleins, een deurbel die het niet meer deed, en Corrie deed open in haar ochtendjas al om acht uur. Ik dacht heel even: hé, terug bij af.
Maar ze lachte toen ze mijn gezicht zag, en zei het zelf al voor ik iets kon vragen: "Vandaag ben ik gewoon echt moe. Dat mag ook nog, hoor."
Ik heb de deurbel gerepareerd, een kwartiertje werk, kreeg koffie aangeboden die ik afsloeg omdat ik nog een klus had in de Vogelwijk. Bij de deur zag ik Wim op de bank zitten, met de afstandsbediening in zijn hand maar de tv nog uit, alsof hij op iets wachtte. Op tafel lag het jokerspel, nog steeds op dezelfde plek waar het al maanden lag.
