NL
Bram en het laatste tochtje van Kesje
Ik ben dierenarts. Al zeventien jaar, in een praktijk aan de Zuidhorn in Assen, en in die tijd heb ik de naald denk ik driehonderd keer gezet. Je zou denken dat het gewoon werk wordt. Dat is het niet, maar meestal blijft het bij mij, achter de balie, tussen de patiëntenmapjes.
Deze keer niet. Deze keer stond ik erbij als iemand die toevallig meekeek, niet als degene die de beslissing nam.
Meneer Van Duinen kwam elke donderdag met zijn hond, een oude Duitse herder die iedereen "Kesje" noemde, al heette hij eigenlijk Caesar. Twaalf jaar oud, heupdysplasie, en de laatste maanden ging het snel. Meneer Van Duinen is een man van in de zeventig, weduwnaar, met een blauwe Opel Corsa die al bijna net zo oud is als de hond. Hij komt binnen met een pet op en zet die altijd af zodra hij de wachtkamer betreedt — dat vond ik gek toen ik hem net kende, later begreep ik dat hij het uit respect doet, zoals je een pet afzet in een kerk.
Die donderdag had hij Kesje niet in een sling gedragen zoals de laatste tijd. Hij droeg hem op zijn armen, helemaal, zo'n vijfendertig kilo hond tegen zijn borst, en zijn jas was nat van het speeksel en misschien ook van iets anders. Hij zei niet veel. Hij zei: "Ik denk dat het vandaag moet, dokter." En toen liet hij zich in de stoel zakken alsof zijn benen het niet meer hielden.
Ik moest die dag om vier uur naar de tandarts, en ik weet dat ik heel even, heel gemeen, dacht: laat dit niet uitlopen. Dat schaam ik me nog steeds voor. Maar toen ik zag hoe hij zijn hand op de flank van de hond legde en wachtte tot de ademhaling regelmatig werd voor hij iets zei, wist ik dat de tandarts kon wachten.
Hij vertelde me — niet aan mij eigenlijk, meer tegen de kamer, tegen niemand — dat ze de avond ervoor naar het Zuidlaardermeer waren gereden. Kesje had altijd van autoritjes gehouden, kop uit het raam, oren in de wind, en meneer Van Duinen had hem op de achterbank een deken gegeven en was gewoon gaan rijden, zonder doel, langs de dijk, tot de zon onderging over het water. Hij zei dat hij tegen de hond had gepraat, dat hij had gezegd dat hij van hem hield, dat hij niet meer hoefde te vechten. Dat hij de hele week ervoor 's nachts wakker had gelegen omdat hij Kesje hoorde janken, zoekend naar een houding zonder pijn, en die nooit vond.
Wat hij niet zei, maar wat ik zag: op zijn onderarm zat een oude tatoeage, half vervaagd, van een hondenpootje met een datum erbij — 2013. Het jaar dat hij Kesje kreeg, vermoed ik, al heb ik het niet gevraagd. En op de vloer, naast zijn schoen, lag een half opgegeten koekje van de Aldi, kruimels van iets dat hij onderweg zeker aan de hond had gegeven, tegen alle voedingsregels in, en dat interesseerde op dat moment niemand.
Mijn assistente, Renske, bracht koffie die niemand dronk. Buiten regende het zachtjes tegen het raam, van dat typisch Drentse motregentje dat je amper hoort maar dat alles nat maakt. Op de radio in de wachtkamer speelde het NPO Radio 2-nieuws van drie uur, iemand las iets voor over het weer in het weekend, volkomen onbelangrijk en toch, op dat moment, het enige geluid in de wereld dat normaal aanvoelde.
Ik legde de canule aan. Meneer Van Duinen bleef praten, tegen Kesje, met zijn voorhoofd tegen de kop van de hond. Hij zei dat hij het niet zou vergeten, geen enkele dag van twaalf jaar. Ik gaf het middel toen hij knikte, één keer, kort, zoals je knikt tegen iemand die je een moeilijke boodschap vraagt te bevestigen.
Het ging snel. De hond ademde nog twee, drie keer, en toen niets meer. Meneer Van Duinen bleef zitten met zijn armen om de hond, zei niets, ik zei ook niets — er is geen zin die op dat moment iets toevoegt, dat heb ik in zeventien jaar wel geleerd.
Uiteindelijk stond hij op. Hij vroeg of hij Kesje's halsband mocht houden, wat natuurlijk kan, en ik zag dat hij hem in zijn borstzak stopte, niet in een tas. Bij de deur zette hij zijn pet weer op. Hij bedankte me, betaalde bij Renske aan de balie — honderdtwintig euro, inclusief crematie in het diervriendelijke crematorium in Assen-Oost — en liep naar zijn Opel.
Ik zag door het raam hoe hij een minuut of twee gewoon achter het stuur bleef zitten voor hij de motor startte. Toen reed hij weg, richting het Zuidlaardermeer, denk ik, of misschien alleen naar huis.
Mijn tandartsafspraak heb ik die middag verplaatst. Er waren dingen die niet konden wachten, en dat was er geen van.
