NL
Toen de stropers hem aan de boom vastbonden, lachten ze hem recht in zijn gezicht uit – maar wat die enorme beer daarna deed, had niemand ooit kunnen voorspellen
Thomas van der Veen had twintig winters in hetzelfde bos overleefd. Hij kende elke eik, elk wildspoor, elke verraderlijke veenput in het zuidelijke deel van de Hoge Veluwe. Voor hem was het bos geen werkplek, maar een levend lijf waar hij deel van uitmaakte. Dus toen hij die ochtend in april rond kwart voor elf verse bandensporen zag in de verboden zone bij het Reemsterveld, voelde hij meteen dat er iets grondig fout zat.
Hij zette zijn verrekijker aan zijn oog, zag de diepe ribbels van een zware terreinwagen die dwars door de jonge heide was geploegd, en mompelde: „Niet weer. Niet vandaag.”
Thomas volgde het spoor te voet. Het was er stiller dan normaal — zelfs de specht zweeg. Na een kwartier hoorde hij een doffe knal. Een geweerschot. Zijn maag kneep samen. Hij versnelde zijn pas, dook onder een omgewaaide beuk door en bleef abrupt staan op een kleine open plek. Drie mannen stonden bij een grijze Mitsubishi Pajero. Aan de achterklep hing een edelhert van minstens honderddertig kilo, de kop bungelde slap omlaag, het bloed drupte in het zand. De geweren leunden tegen de bumper.
Twee van de stropers waren druk bezig met het vastsjorren van het karkas. De derde, een potige kerel met een rafelig baardje en een honkbalpet, stak net een sigaret op. Thomas herkende hem vaag van een proces-verbaal van twee jaar terug: Sjoerd de Boer, een recidivist die al vier keer was aangehouden voor stroperij en telkens weer op vrije voeten kwam.
Thomas rechtte zijn rug en stapte de open plek op. „Wapens neer. Jullie zitten in een volledig beschermd gebied. De politie is al onderweg.”
Sjoerd nam een trek van zijn sigaret en blies de rook traag uit. Hij keek de boswachter aan alsof hij naar een vervelende vlieg keek. „In je eentje, Van der Veen? Tegen ons drieën?” zei hij, terwijl hij de voornaam van de boswachter expres overdreven beklemtoonde. De andere twee lachten.
„Het is mijn bos,” zei Thomas kalm. „Zolang ik hier ademhaal, schieten jullie geen ree en geen hert meer dood.”
De lach verdween van Sjoerds gezicht. Hij knikte naar zijn maten. „Leer hem dan maar een lesje. Grondig dit keer.”
Ze besprongen hem tegelijk. Thomas wist de eerste klap nog te ontwijken en raakte de dikste stropersmaat vol op zijn neus, maar de tweede haakte zijn been onder hem weg. Hij viel hard op zijn zij, proefde aarde, en voelde hoe iemand zijn armen ruw op zijn rug wrong. Binnen een minuut was hij met dikke scheepstouwen aan een oude zomereik vastgesjord. Het touw sneed in zijn polsen, zijn schouders stonden in brand.
Sjoerd kwam vlak voor hem staan, zijn gezicht op twintig centimeter afstand. „Zo. En nu blijf jij hier mooi zitten tot het donker. Als je geluk hebt, vindt een toevallige wandelaar je. Zo niet…” Hij grijnsde en knikte naar het dichte woud achter hem. „Dan vinden de beesten je eerder.”
Hij klopte Thomas bijna zachtjes op zijn wang, draaide zich om en gebaarde naar de anderen. Ze sprongen in de Pajero, de motor brulde, en de auto verdween schokkend tussen de stammen. Even later sloeg het portier nog eens dicht — ze waren blijkbaar nog even gestopt om iets te controleren — maar daarna werd het stil.
De eerste twintig minuten probeerde Thomas met pure woede los te komen. Hij trok en rukte, zette zijn hakken schrap in de bosgrond en gooide zijn gewicht heen en weer. Het touw gaf geen millimeter mee. Zijn polsen begonnen te bloeden. De zon stond al laag en het bladerdak filterde het gouden licht tot lange, schuine banen. Af en toe hoorde hij een vlaag wind door de dennenkronen, het kloppen van een specht, het ritselen van een muis. Geleidelijk loste de adrenaline op en maakte plaats voor een ijzige, logge vermoeidheid.
Hij hing roerloos in de touwen en probeerde zijn gedachten te ordenen. Niemand wist waar hij precies was — hij was afgeweken van zijn gebruikelijke route. Zijn portofoon was uit zijn heupriem gegleden en lag twee meter voor zijn voeten in het gras, nutteloos knipperend met een rood lampje.
En toen hoorde hij het.
Geen vogel, geen tak. Een zware, knisperende cadans van iets dat door het kreupelhout bewoog. Het geluid kwam van dieper in het bos, recht voor hem. Thomas hief zijn hoofd op en zijn adem stokte.
Uit de schaduw van een groep grove dennen stapte een beest van onmogelijke afmetingen. Een bruine beer. Het dier was kolossaal — zeker drie meter van neus tot achterwerk, met schouders als een opgestapeld rotsblok en klauwen zo lang als zijn vingers. De pels glansde in het late middaglicht, hier en daar plakten naalden in de vacht. Het reusachtige dier bleef staan op nog geen zes meter afstand, tilde zijn massieve kop op en keek de vastgebonden boswachter recht in de ogen.
Thomas voelde hoe zijn blaas zich samentrok. Zijn lippen bewogen geluidloos. Alles wat hij ooit over het gedrag van beren had geleerd, loste op in een witte mist van paniek. Het enige wat hij kon, was stilhangen en niet ademen.
De beer zette nog twee zwaarlijvige stappen naar voren. Thomas rook het dier nu — een mengsel van natte aarde, hars en een zweem van rottend vlees. Het beest blies een wolk warme adem in zijn gezicht, snoof luidruchtig, boog zijn imposante nek en bestudeerde de man alsof het een vreemd, interessant voorwerp was.
Toen richtte de beer zich langzaam op zijn achterpoten op. Het dier rees metershoog boven hem uit, de schaduw viel als een lijkwade over Thomas heen. De voorpoten bungelden log omlaag. Precies op dat moment drong tot Thomas door dat er nog geluiden waren — menselijke geluiden, ergens achter hem. Het geronk van een dieselmotor, stemmen die dichterbij kwamen. De stropers kwamen terug. Misschien waren ze iets vergeten, of erger — ze wilden zien of de boswachter nog steeds als een vogelverschrikker aan zijn boom hing.
„Hé, bosvogeltje! We komen nog effe een selfie maken voor de groepsapp, dat vindt de baas vast leuk!”
De stem was onmiskenbaar die van Sjoerd. Maar hij was nog geen twintig meter van de open plek verwijderd toen zijn gelach abrupt afbrak. Thomas hoorde hoe de mannen gelijktijdig in beweging bleven en toen verstijfden.
„Wat… wat is dát?” hijgde een van de anderen, Marco, de mollige met de bivakmuts nog om zijn nek.
„Een beer… een k*oleretyfusbeer!” Sjoerds stem brak. „Schiet dan, idioot! Schiet!”
Maar de beer had zich al omgedraaid. Met een beweging die voor zo’n log dier verbijsterend snel was, liet hij zich weer op vier poten vallen en denderde op de mannen af. De eerste greep naar zijn geweer, maar zijn vingers trilden te hard — het schot ging de bosgrond in. De tweede gilde en probeerde achteruit te rennen, maar struikelde over een boomwortel. De derde, Sjoerd zelf, zwaaide zijn wapen omhoog, maar op het moment dat hij de loop op het beest richtte, sloeg de beer met één uithaal van zijn reusachtige klauw het geweer uit zijn handen alsof het een luciferhoutje was.
Wat volgde, gebeurde in een handvol seconden die in Thomas’ herinnering tot uren uitrekte. Hij perste zijn ogen dicht en wendde zijn hoofd af, maar hij kon de geluiden niet buitensluiten — het breken van ribben, een hoge, dierlijke schreeuw die plotseling afbrak, het natte scheuren van stof en huid, en onder alles door het grommen van het gigantische roofdier. Het duurde een eeuwigheid. En toen werd het stil.
Een diepe, zware ademhaling klonk vlak voor hem. Thomas opende zijn ogen. De beer stond op twee meter afstand, de muil rood besmeurd, de ogen zwart en ondoorgrondelijk. Het dier keek hem nog één keer aan, snoof luidruchtig, draaide zich toen om en verdween in de schemering van het woud.
De boswachter hing zwaar in de touwen, zijn borstkas pompte in onregelmatige stoten. Hij probeerde te slikken, maar zijn keel was kurkdroog. Toen drong tot hem door dat op de grond, amper een halve meter van zijn voeten, iets glom. Een jachtmes met een benen handvat. Het moest uit de hand van een van de stropers zijn gegleden en weggeschopt tijdens de paniek. Het lemmet stak in de zachte bosbodem, het handvat wees schuin omhoog.
Met de laatste restjes kracht liet Thomas zich langs de ruwe eikenbast omlaag glijden. De schors schaafde zijn rug tot bloedens toe open en de touwen sneden nog dieper in zijn vlees, maar hij voelde hoe hij centimeter voor centimeter de grond naderde. Zijn vingers, nog steeds op zijn rug gebonden, tastten wild achter zich. Koude metaal. Het duurde vier eindeloze pogingen voor hij de punt van het mes tussen duim en wijsvinger wist te klemmen. Het lemmet sneed in zijn vinger, maar hij voelde het niet.
Met kleine, zaagende bewegingen begon hij aan het touw. Eén streng. Nog één. Een derde. Het duurde minuten, misschien een heel etmaal — hij wist het niet meer. Tot hij plotseling voelde hoe de spanning brak en zijn rechterarm losschoot. Vanaf dat moment ging het snel. Hij maakte zijn linkerhand vrij, trok de lussen van zijn borst en zakte trillend op zijn knieën in het gras.
Hij bleef een paar tellen zo zitten, starend naar de roerloze vormen in het halfduister. De mannen lagen op een onmogelijke manier, de Pajero stond er met openstaande portieren bij, de lampen brandden zwak. Thomas krabbelde naar zijn portofoon. Zijn stem was hees, nauwelijks verstaanbaar.
„Hier boswachter Van der Veen. Code zwart… meerdere slachtoffers. Stuur alles wat je hebt naar de coördinaten van mijn baken.”
Hij liet de portofoon vallen en leunde met zijn rug tegen de eik. Boven hem ritselde iets in het gebladerte — een eekhoorn, of misschien alleen de wind.
De politiehelikopter landde een halfuur later op het Reemsterveld. Toen de agenten de open plek bereikten, vonden ze Thomas naast de boom, onder het gestolde bloed, starend naar de lichamen. Hij had niet gehuild, niet geschreeuwd, alleen maar gewacht.
Een van de agenten hurkte naast hem neer. „Meneer Van der Veen? Kunt u vertellen wat hier is gebeurd?”
Thomas schraapte zijn keel en wees met een trillende vinger naar het donkere bos. „De beer,” fluisterde hij. „De beer heeft rechtgesproken.”
