NL
De beton van Han Feenstra
Ik ben al negenentwintig jaar huismeester van een flat aan de Van Oldenbarneveltlaan in Zoetermeer. Loodgieter van opleiding, maar in de praktijk repareer ik alles wat kapot kan gaan – van de lift tot het kleine tuintje achter het gebouw. Dus als daar iets gebeurt, ben ik meestal degene die het als eerste ziet.
In dat tuintje, in de noordelijke hoek, had mevrouw Willemien de Groot van de derde verdieping haar komkommerbed. Eenentachtig… nee, eenenzeventig jaar was ze, al acht jaar weduwe, met handen die de aarde nog beter konden bewerken dan de meeste jongelui die ik ken. Elke ochtend om zeven uur kwam ze naar beneden met een emmer water en een klein snoeischaartje, knipte gele bladeren weg en praatte tegen de planten alsof het buren waren.
In augustus zag het bed er slecht uit. Vergeelde bladeren, kleine vruchtjes die halverwege stopten met groeien en gewoon aan de stengel indroogden. Ik zei ooit tegen haar, bij de gemeenschappelijke kraan: "Mevrouw De Groot, dit is het wel zo'n beetje, het seizoen is voorbij." Ze antwoordde niet meteen. Ze spoelde haar handen af, droogde ze aan haar schort en zei toen dat ze niet van plan was op te geven zolang er nog één gele bloem aan die plant zat.
Twee dagen later zag ik haar iets roeren in een oude plastic emmer – houtas, geloof ik, met lauw water uit de kraan. Ik vroeg niet verder door. Ik heb dienst tot vier uur en ook nog die eindeloze liftproblemen op de achtste verdieping. Maar het viel me op dat ze het niet zomaar uitgoot – ze doseerde het met een oud plastic bekertje, alsof ze een recept aan het klaarmaken was, niet zomaar drinkwater voor een plant.
Wat me deed opkijken, was haar zoon, Robert de Groot. Achtenveertig jaar, filiaalmanager bij een bank in Den Haag, reed in een zilverkleurige Audi A4 die hij ongeveer om de drie jaar inruilde. Hij kwam zijn moeder om de twee weken bezoeken, soms minder, en elke keer had hij dezelfde blik voor die tuin – alsof het tijdverspilling was waar hij geen zin in had.
Bij een van die bezoeken, op een zaterdagmiddag, hoorde ik hem met haar praten aan het tuintafeltje terwijl ik het hek aan het repareren was. "Mam, je bent eenenzeventig, je moet niet meer met aarde in de weer zijn. Ga naar dat appartement in Rijswijk, daar is een tuin met onderhoud en ook hulp als je die nodig hebt." Ze zei dat ze het huis waarin ze hem en zijn zus had grootgebracht niet wilde verlaten. Hij zei: "Dit is geen discussie meer, mam, dit is voor jou." Maar wat er daarna kwam, was geen instemming – ze bukte zich, trok drie slakken van de bladeren van haar komkommerplant en gooide ze een voor een over het hek, zonder hem nog aan te kijken.
Ik wist toen nog niet wat ik later te weten kwam – dat Robert al met een notaris had gesproken over een levenstestament, en dat hij zijn moeder al foldertjes van "exclusieve" verzorgingstehuizen liet zien, alsof de zaak voor hem al beklonken was. Ik hoorde dat via haar dochter, Marijke, die een keer beneden kwam om een schroevendraaier te lenen en twintig minuten bleef praten bij de trap.
Eind augustus, minder dan twee weken nadat ik haar met die emmer had gezien, was het bed veranderd. Niet dramatisch, niet van de ene op de andere dag, maar veranderd. Nieuwe groene bladeren, twee of drie verse gele bloemen, en zelfs een komkommertje dat begon te vormen zoals het hoort. Ik vroeg haar wat ze had gebruikt, want ik kweek zelf ook twee tomatenplanten op mijn balkon en het is nooit verkeerd om iets bij te leren. Haar mondhoek krulde iets omhoog en ze zei: "Houtas uit de kachel van mijn zus, verdund met water. Eens in de tien dagen, niet vaker, anders verbrand je de wortels." Meer niet. Geen geheim, geen wondermiddel. Alleen geduld en een maatbekertje.
Wat er daarna gebeurde, weet ik omdat ik erbij was, in de tuin, bezig met de sproeikraan toen het zich voordeed. Het was een vrijdagavond, vlak voor Sinterklaas, en de hele familie was verzameld op het tuinterras – Robert, zijn vrouw Sandra, Marijke met haar man, en de kleinkinderen. Mevrouw De Groot zat aan het hoofd van de tafel, naast het bed dat er inmiddels bijna weer uitzag als in mei.
Robert haalde een blauwe map uit zijn tas en legde die op tafel, tussen de schaal met pepernoten. "Mam, het is tijd. Ik heb al met de notaris getekend, het enige wat nog moet gebeuren is jouw handtekening. Een levenstestament, zodat als er iets gebeurt, ik en Marijke alles kunnen regelen zonder gedoe." Hij sprak op een kalme toon, als iemand die die zin al tien keer had geoefend.
Ze raakte de map niet aan. Ze keek ernaar, toen naar hem, toen naar het bed. "Robert, ik weet dat je denkt dat ik hulp nodig heb. Maar kijk eens naar die planten. Drie weken geleden gingen ze dood. Nu dragen ze vrucht. Ik weet heel goed wat ik doe, in de tuin en in de rest van mijn leven."
Hij probeerde het opnieuw, wat dwingender. "Dit gaat niet over de tuin, mam."
"Dit gaat wel degelijk over de tuin," zei ze, en stond op. "Want jij kijkt naar iets dat in jouw ogen afgeschreven is en beslist ervoor in plaats van te vragen wat het nodig heeft."
Toen liep ze naar binnen, niet naar de map. Ze kwam terug met een oude plastic tas, en daaruit haalde ze een andere map – de hare. Ze legde die open op tafel, naast de pepernoten. Een huurcontract op haar eigen naam, voor de woning zelf, dat ze al een week eerder had ondertekend bij haar eigen notaris – niet die van Robert – waarmee het huis werd ondergebracht in een familietrust waar zij tot haar overlijden de enige zeggenschap over had. Marijke kreeg daarin een gegarandeerd woonrecht. Robert werd er nergens in genoemd, niet als beheerder, niet als gevolmachtigde.
"Ik heb leren tuinieren en een huishouden runnen nadat je vader stierf," zei ze, "en ik kan nog altijd een juridisch document lezen voordat ik het onderteken. Ik heb dit zonder jou gedaan, Robert, omdat ik er niet zeker van was dat je me het samen met jou zou laten doen."
Hij staarde naar het papier, toen naar haar, en zijn kaak bewoog alsof hij drie keer opnieuw begon aan een zin die nooit kwam. Marijke bleef stil zitten, kijkend van de een naar de ander. Sandra, zijn vrouw, hield haar handen in haar schoot en sloeg haar ogen niet op.
Ik stond daar met de schroevendraaier in mijn hand, zonder te bewegen, want ik wilde niet dat ze merkten dat ik er was – maar ik kon ook niet weglopen. Mevrouw De Groot sloot de map, stopte hem terug in de plastic tas, en ging weer aan tafel zitten. Ze pakte een glas water en goot er voorzichtig de helft van uit bij de wortel van de komkommerplant die het dichtst bij haar stond, zoals ze elke ochtend deed, en pas daarna ging ze zitten.
Robert pakte zijn blauwe map weer op, stond op en zei dat hij nog een boodschap moest doen. Niemand hield hem tegen. Ik hoorde het portier van de Audi dichtslaan op de parkeerplaats en de motor wegrijden richting de doorgaande weg.
Tot op de dag van vandaag, als ik om zeven uur 's ochtends langs het bed loop, zie ik haar daar nog steeds staan met haar emmer en het plastic bekertje, haar mengsel afmetend, niet te veel, niet te weinig. En af en toe, als Robert op bezoek komt – hij komt nog steeds, misschien wat minder vaak, maar hij komt – zie ik hem naast haar op de bank zitten, zonder mappen, alleen luisterend naar haar verhaal over de bloem die gisteren opengegaan is.
