NL
Kreukels die niemand ziet
Ik ben Herman, ik ben achtenzeventig en ik woon in Deventer, drie straten van de IJssel, in het huis waar mijn vrouw Willemien en ik veertig jaar geleden zijn ingetrokken. Willemien is drie jaar geleden overleden. Sindsdien woon ik alleen, en het huis is precies zo gebleven als toen zij nog leefde — behalve dan dat er niemand meer is om het zo te houden. Behalve ik.
Willemien streek. Altijd. Lakens, slopen, theedoeken, zelfs mijn zakdoeken van katoen, jarenlang, tot ze op het laatst overstapte op de wegwerpvariant uit de Kruidvat en zei dat ze daar geen tijd meer aan wilde verspillen. Maar de lakens bleven. Elke maandag ging de was aan, en als het buiten droog was ging alles aan de lijn achter, en anders hing het aan het droogrek bij de kachel. Dinsdag werd er gestreken. Ik zat er vaak bij met de krant, en soms vroeg ik haar waarom ze het deed, want wie zag dat nou, een gestreken laken, als je erin ging liggen was het toch binnen tien minuten gekreukt. Ze antwoordde altijd hetzelfde: zo heeft mijn moeder het me geleerd, en zo doe ik het.
Ik vond het onzin. Dat zei ik ook wel eens, met een grapje erbij, maar ik greep nooit zelf naar het strijkijzer, want het was haar domein en ik bemoeide me er niet mee. Nu is het mijn domein geworden, of ik het wil of niet.
Het eerste jaar na haar overlijden heb ik het gewoon overgenomen. Ik wist niet beter. Elke keer als ik het beddengoed verschoonde — en dat deed ik trouw, om de twee weken, soms wekelijks als het warm was — waste ik de lakens, liet ze drogen, en zette dan het strijkijzer op de keukentafel neer, precies zoals zij dat altijd deed, met een oude handdoek eronder als bescherming voor het tafelblad. Ik streek de lakens, de kussenslopen, en ook de theedoeken die eigenlijk nooit iemand ziet, want die hangen aan een haakje bij de gootsteen.
Ik heb me nooit afgevraagd of het nodig was. Het voelde als iets wat ik haar verschuldigd was. Alsof ik, door het net zo te blijven doen als zij, kon laten zien dat er nog iemand was die het huishouden serieus nam zoals zij dat deed. Mijn dochter Femke zei een keer, toen ze op bezoek was en de linnenkast opendeed om een gastenlaken te pakken: "Pap, waarom strijk jij nog steeds lakens? Er komt hier bijna nooit iemand logeren." Ik zei dat het nu eenmaal zo hoorde. Zij haalde haar schouders op en zei niets meer.
Afgelopen zomer, in augustus, met bijna tweeëndertig graden buiten en de ventilator loeiend naast me, streek ik twee complete sets lakens en had ik zo'n pijn in mijn onderrug dat ik even moest gaan zitten op de keukenstoel voordat ik het strijkijzer wegzette. Ik keek naar die keurig opgevouwen stapel op tafel en dacht: voor wie doe ik dit eigenlijk. Er kwam niemand logeren. Niemand deed die linnenkast open behalve ikzelf. Niemand zou ooit controleren of er een kreuk in het onderlaken zat.
Dus de week erna vouwde ik de lakens gewoon op zodra ze droog waren, zonder strijken. Er gebeurde niets. Ik sliep precies zoals altijd, misschien zelfs iets beter, want mijn rug deed geen pijn. De week daarna deed ik het weer zo. Toen liet ik ook de theedoeken links liggen. Ik voelde me een beetje belachelijk om het gevoel dat ik iets verbodens deed, alsof Willemien vanuit haar stoel bij het raam zou kunnen zien wat ik uitspookte.
Op een zondag kwam mijn zwager Aad langs, de broer van Willemien, tweeënzeventig, gepensioneerd fietsenmaker, altijd op zoek naar een schone theedoek voor bij de afwas na de koffie. Hij deed de linnenkast open en zag de lakens liggen, netjes opgevouwen maar niet meer zo glad als vroeger. Hij lachte en zei: "Als Willemien dit zag, draaide ze zich om in haar graf." Ik lachte mee, maar voelde meteen daarna een steek van schuld die me verbaasde. Willemien was al drie jaar dood. En toch kon één zinnetje over lakens me het gevoel geven dat ik iets fout deed.
Ik vertelde Aad dat ik van plan was er helemaal mee te stoppen, met strijken. Hij zei dat hij het zelf wel prettig vond om in een gestreken laken te kruipen en dat hij daar niks verkeerds in zag. Er was ook niets verkeerds aan, eigenlijk. Dat was precies het punt. Als hij het fijn vond, moest hij het vooral blijven doen. Maar ik had het zesenveertig jaar gedaan zonder me ooit af te vragen of ik het zelf wilde.
Het gesprek dwaalde af naar andere dingen van hetzelfde soort. Aad bekende dat hij nog steeds de ramen lapte voordat zijn kinderen op bezoek kwamen, omdat zijn moeder altijd zei dat visite eerst naar de ramen kijkt. Ik vertelde dat ik nog elke ochtend de sprei recht trok over het bed, ook al haalde ik hem 's avonds toch weer weg. We moesten allebei lachen toen we begonnen op te sommen welke huishoudelijke regels we volgden zonder ooit bewust gekozen te hebben ze te volgen.
Toen werd ik serieus. Ik zei tegen Aad dat ik soms het gevoel had dat wij, mannen van onze generatie die nu alleen achterblijven, ineens ook die last van "orde houden" overnemen die vroeger op de schouders van onze vrouwen lag. Schoon huis, eten op tijd, kleren gestreken, koelkast gevuld. Er verplichtte ons niemand meer tot iets. Maar die stem in je hoofd bleef aanwezig.
Willemiens moeder had het ook niet makkelijk gehad. Vier kinderen grootbrengen met een schamel loon van een fabrieksarbeider in de jaren vijftig, dat maakte orde waarschijnlijk iets wat voor haar als overlevingsstrategie voelde. Ik wilde haar niets kwalijk nemen. Ik begon alleen te begrijpen dat weten waar een gewoonte vandaan komt niet betekent dat je haar voor altijd moet vasthouden.
Kort daarna kwam mijn kleinzoon Bram, negentien, een nachtje slapen na een avondje stappen in het centrum, veel te laat thuis met de laatste bus. 's Ochtends aan het ontbijt zei hij dat het bed zo lekker zacht lag. Ik vroeg hem of hij gemerkt had dat de lakens niet gestreken waren. Hij keek me aan alsof ik iets geks vroeg: "Had dat moeten opvallen dan?" Ik moest zo hard lachen dat ik me bijna verslikte in mijn koffie.
Sindsdien komt het strijkijzer bijna nooit meer uit de kast. En elke keer dat ik lakens opvouw met een paar kreuken erin, voel ik een soort kleine vrijheid die van buitenaf bekeken misschien behoorlijk overdreven klinkt. Maar op achtenzeventigjarige leeftijd begin ik te ontdekken dat je ook rust kunt nemen van verplichtingen die niemand je ooit werkelijk heeft opgelegd, maar die je toch je hele leven bent blijven gehoorzamen.
Vorige week is Femke een middag langsgekomen om de linnenkast op te ruimen, want ze vond het tijd om oude spullen weg te doen. Ze vond helemaal onderin, achter een stapel handdoeken, nog een doos met Willemiens naaigerei en daarin, in een plastic hoesje, de kwitantie van het strijkijzer, gekocht bij de Blokker in 1987. Ze hield het lachend omhoog en vroeg of ik het wilde bewaren. Ik zei nee, en heb het strijkijzer zelf naar de kringloopwinkel aan de Hanzeweg gebracht, samen met de plank. Niet omdat ik boos was of iets wilde bewijzen. Gewoon omdat ik het niet meer nodig had, en er ergens een ander gezin misschien wel blij van wordt. Op de terugweg fietste ik langs de IJssel, waar een hond uit het water klom en zich uitschudde vlak naast een wandelaar die te laat wegsprong, en ik moest erom grinniken op mijn eentje, op de fiets, zonder dat iemand het zag.
