NL
Muur, negentien dagen, en één brief van het kerkbestuur
Willem Terpstra had de brief drie keer gelezen voordat hij hem aan Sjaan liet zien. "Het dier vormt een risico voor de veiligheid van bezoekers en wordt derhalve niet langer geduld op het terrein van de Sint-Bavokerk." Ondertekend door de nieuwe koster, ene meneer Dekkers, die pas sinds januari in Alkmaar werkzaam was en nog nooit een preek van pastoor Van Hulst had bijgewoond zonder op zijn horloge te kijken.
Sjaan, zesenzeventig, woonde al veertig jaar in de Nieuwlandersingel, drie huizen van de kerk. Ze was degene die Fikkie — de cyperse kater met dat ene geknikte oor — als eerste een naam had gegeven, ergens in 2019, toen hij nog een half verwilderd katertje was dat uit de vuilcontainers achter de bakker at.
Willem was haar buurman. Achtenzestig, gepensioneerd installateur, weduwnaar sinds twee jaar. Hij had die ochtend zijn koffie nog niet op toen Sjaan met de brief voor zijn deur stond, in haar ochtendjas, alsof het huis in brand stond.
"Ze zetten hem eruit," zei ze. "Godbetert, Willem, ze zetten die kat eruit."
Hij las de brief aan de keukentafel, terwijl de regen tegen het raam sloeg — typisch Alkmaars weer voor eind maart, grijs en vasthoudend. Op de radio zong iemand een oud Nederlandstalig liedje dat hij niet kon thuisbrengen. Beneden bij de buren blafte een hond twee keer en hield weer op.
"Sinds wanneer beslist een koster wie er bij de kerk mag zitten," zei Willem uiteindelijk.
Dat was het begin van iets dat het hele buurtje zou bezighouden.
Fikkie was geen gewone zwerfkat. Hij zat elke ochtend op de stenen richel bij de sacristie, keek toe hoe de schoolkinderen van basisschool De Ark voorbijkwamen op weg naar de poort, en liet zich door mevrouw Boersma, die al vijfentwintig jaar in de bloemenwinkel op de hoek werkte, aaien tussen zijn oren voordat ze de kerk in ging om de altaarbloemen te verversen. De kinderen noemden hem "de kerkkat" en gaven hem koekjes uit hun broodtrommel, wat niet mocht van de juf, maar toch gebeurde.
Twee weken na de brief was Fikkie verdwenen. Sjaan zocht drie dagen, hing briefjes op bij de Albert Heijn, belde de dierenambulance in Alkmaar. Niemand had hem gezien.
Op de vierde dag hoorde Loes Kramer, die op de eerste verdieping boven de kerk woonde in het voormalige kosterhuis, een geluid dat ze eerst voor een verstopte regenpijp hield. Miauwen. Aanhoudend, hoog, alsof het uit de muur zelf kwam.
Fikkie zat op een richel hoog aan de zijgevel van de kerk, boven de ingang naar de sacristie — een uitstekende rand van amper twintig centimeter breed, op ruim zeven meter hoogte. Hoe hij er terechtgekomen was, wist niemand. Waarschijnlijk gejaagd door iets, of iemand, en dan de verkeerde kant op geklommen.
Negentien dagen bleef hij daar.
De brandweer van Alkmaar kwam twee keer kijken en concludeerde dat een ladderwagen het risico niet waard was voor "een kat die er zelf wel weer af zou komen." Meneer Dekkers, de koster, weigerde stellig een steiger te laten plaatsen — "gezien de eerdere klachten over het dier" — en Willem moest zich inhouden om niet iets te zeggen dat hij later zou moeten uitleggen aan pastoor Van Hulst.
Sjaan zette elke ochtend om zeven uur een bakje water en brokjes onder de muur, wetend dat Fikkie er niet bij kon, maar ze deed het toch, dag na dag, alsof het ritueel zelf iets vasthield. De buurtapp van de Nieuwlandersingel — normaal gesproken gevuld met klachten over foutparkeerders en de kliko-planning — veranderde in negentien dagen tijd in een soort dagboek. Foto's van Fikkie op de richel, een timer die bijhield hoeveel dagen het al was, een oproep om geld in te zamelen voor een professionele hoogwerker.
Op dag twaalf reageerde Dekkers eindelijk, in een berichtje aan de kerkraad dat Sjaan via via te lezen kreeg: "Als het dier zelf niet naar beneden komt, is dat verder geen verantwoordelijkheid van de parochie."
Willem printte dat zinnetje uit en plakte het op zijn koelkast. Hij zei er verder niets over, maar iedereen die bij hem binnenkwam zag het hangen.
Op dag negentien regelde Sjaans zoon, Bart, die bij de brandweer in Heerhugowaard werkte maar niet in Alkmaar zelf, via een collega een ladderwagen buiten diensttijd. Geen officiële actie — een gunst, ingeklemd tussen twee andere ritten.
Het was een dinsdagmiddag, half vier, toen de wagen voor de kerk stopte. Een handjevol buurtbewoners stond op straat: Sjaan met haar handen om een lege kattendrager geklemd, mevrouw Boersma nog in haar werkschort met bloemenprint, een paar kinderen van De Ark die net uit school kwamen en meteen stil werden.
De brandweerman die naar boven ging heette Kees, negenentwintig, en had zelf twee katten thuis. Hij praatte de hele klim naar boven zachtjes tegen het dier — niet omdat hij dacht dat het zou helpen, maar omdat het stil zijn op zeven meter hoogte met een uitgehongerd dier hem niet goed uitkwam.
Fikkie verzette zich niet. Hij liet zich optillen, mager, met vieze poten en een half dichtgeknepen oog, en drukte zijn kop tegen Kees' arm terwijl die naar beneden zakte.
Beneden stond meneer Dekkers, die kennelijk toch was komen kijken, met zijn armen over elkaar bij de kerkdeur. Niemand zei tegen hem iets onaardigs. Sjaan liep gewoon langs hem, met Fikkie tegen haar borst gedrukt, de dierendrager in haar andere hand, en zei alleen: "Hij komt bij mij wonen. Geen discussie meer nodig."
Dekkers zei niets terug. Hij ging de kerk weer in.
Diezelfde avond nog belde de directeur van De Ark, die het verhaal via een ouder had gehoord, naar Sjaan met een voorstel: of Fikkie niet gewoon op het schoolplein zou kunnen wonen, in het tuinhuisje bij de fietsenstalling, waar de conciërge toch al een kattenluikje had staan voor de vorige schoolkat. Geen kerkterrein meer, geen koster die erover kon beslissen.
Sjaan huilde niet vaak, maar die avond, met de telefoon nog in haar hand en Fikkie ingerold op een handdoek op haar bank, wel.
Zes maanden later ligt Fikkie 's ochtends op de vensterbank van het conciërgehokje bij De Ark, met zijn kop tegen het glas, terwijl de kinderen binnendruppelen. Sjaan komt er twee keer per week langs met een blikje, al is dat allang niet meer nodig — de school heeft een vast voerschema en een naambordje bij het hokje: "Fikkie — schoolkat sinds 2026." Meneer Dekkers groet niemand meer op straat, maar dat had hij daarvoor ook al niet gedaan. Het briefje op Willems koelkast hangt er nog steeds, een beetje vergeeld inmiddels, naast een nieuwe foto: Fikkie, breed uitgestrekt in de zon op het schoolplein, alsof hij daar altijd al hoorde.
