Connect with us

NL

Zes maanden gaf ik die man

Published

on

De trap naar de tweede verdieping rook naar schimmel en natte jassen. Buiten miezerde het, zoals altijd in november in Utrecht. Ik stond voor de deur van mijn zus met een doos luiers onder mijn linkerarm en de autostoel in mijn rechterhand. Achter mij ploeterde Koen met de kinderwagen, zogenaamd om me te helpen.

“Schiet eens op,” zei hij.

Ik keek niet om.

Vier treden lager stond hij te worstelen met een achterwiel dat losliet. Twee tellen later rolde het wiel langs zijn benen naar beneden, stuiterde op de overloop en bleef liggen naast de deur van de benedenbuurman.

“Verdomme, Fleur! Altijd hetzelfde met jou!”

Ik stond met de doos luiers tegen mijn heup gedrukt en voelde hoe mijn dochtertje Noor in de autostoel begon te huilen. Zes maanden oud. Zes maanden lang had ik van Koen gehoord dat ik te langzaam liep, te laat kwam, te veel geld uitgaf, te weinig begreep van hoe zwaar zijn leven was.

“Ik heb dat wiel niet losgedraaid,” zei ik.

“Nee, maar jij moest per se vandaag naar je zus. Waarom kon dat niet morgen?”

Hij griste het wiel van de grond, duwde de kinderwagen tegen de muur en begon aan de as te peuteren met zijn nagels. Ik zag hoe zijn vingers wit werden.

De deur van de benedenbuurvrouw ging open. Mevrouw Dijkstra keek naar Koen, toen naar mij, en zei: “Kan ik iets doen?”

“Nee,” zei Koen zonder op te kijken.

Tegen zijn achterhoofd zei ik: “Toch bedankt.”

Ze bleef nog even staan, trok toen haar deur zacht dicht. Boven aan de trap huilde Noor harder. Ik tilde de autostoel op, klemde de doos luiers onder mijn arm en klom langzaam naar boven. Koen kwam achter me aan met de halve kinderwagen onder zijn arm, het losse wiel in zijn hand alsof het bewijsmateriaal was.

Bij mijn zus aangekomen deed ze open. Elin keek van mij naar Koen, van Koen naar de kinderwagen.

“Wat is er met jullie?”

“Niks,” zei Koen.

Tien minuten later zat ik aan haar keukentafel met een kop koude thee voor me. Koen zat in de woonkamer met zijn telefoon. Elin zette een bord koekjes naast me neer.

“Is het altijd zo?” vroeg ze.

“Soms erger,” zei ik.

Ik zei het zacht, maar niet omdat ik bang was dat hij het hoorde. Ik zei het omdat ik het al zo vaak had moeten zeggen dat de woorden versleten waren.

Later die middag zouden we naar de kinderarts moeten in het centrum. Koen wilde niet mee. Hij had geen zin, zei hij. Hij was moe. Ik zei dat ik zelf wel ging, met de tram.

“Zie je wel,” zei hij. “Jij regelt alles toch liever alleen.”

Op de hoek van de straat, voor de tramhalte, stond een man met een hond. Ik kende hem van gezicht, ik zag hem vaker als ik daar liep. De hond was een grijze, middelgrote bastaard met een scheef hangend oor. Ik had hem ooit een stukje kaas gevoerd dat uit mijn boterham was gevallen. Sindsdien bleef hij even staan als ik langskwam. De man knikte alleen maar.

De tram zat vol. Ik stond in het midden, Noor in de draagdoek tegen mijn borst, mijn tas over mijn schouder. Tegenover me zaten twee pubermeisjes, naast hen een man in een werkjas. Er was verder niets bijzonders, niets wat ik me zou herinneren.

Behalve de hond.

Toen we langs het huis liepen, stond de hond bij het hek. Zijn baas was nergens te bekennen. Dat had ik nog nooit gezien. Hij stond er gewoon, met zijn kop scheef, alsof hij op iemand wachtte die allang weg was.

“Fleur! Loop nou eens door!”

Koen stond voor me. Ik had hem niet aan horen komen. Hij keek naar mij, naar de hond, en trok een gezicht.

“Dat beest loopt hier al weken. Vieze straathond.”

“Hij is niet vies,” zei ik.

“Wat weet jij daar nou van.”

Hij draaide zich om en liep naar huis.

De volgende ochtend vond ik op de deurmat een folder van de plaatselijke klussendienst. Iemand had hem bezorgd voor alle huizen in de straat. “Reparatie van kinderwagens en fietsen,” stond er, met een telefoonnummer in blauwe letters. Ik scheurde de folder uit het bundeltje en legde hem onder de magnetron.

Niet dat Koen er gebruik van zou maken. Die avond had hij het wiel met een ijzerdraadje vastgezet en verklaard dat de kinderwagen nog minstens een jaar meeging.

“Als jij tenminste leert voorzichtig te doen,” zei hij erbij.

Ik was op dat moment een flesje aan het opwarmen voor Noor. Het water in de steelpan kookte te hard, spetterde op mijn hand. Ik zei niets. Ik telde de brandplekken op de rug van mijn rechterhand. Het waren er vier.

Negen dagen later was het zondag en stond Koen al om tien uur ’s ochtends voor het raam met een blikje bier. Het was de derde keer die week dat ik hem had gevraagd iets te repareren in de badkamer. Het douchegordijn hing nog aan één roede. Hij had gezegd dat hij het zou doen. Niet gedaan. Ik had het zelf geprobeerd, maar de schroeven zaten te vast.

“Ik betaal de helft van de huur,” zei hij, “en de helft van de luiers. Ik hoef hier niet ook nog eens gratis klusjesman te zijn.”

Ik zat op de bank met Noor in mijn armen. Ze was net in slaap gevallen. Mijn schouders deden pijn. De klok op de schoorsteenmantel stond stil op twaalf voor zeven. Dat wist ik, omdat ik er al drie weken niet naar had gekeken, maar die middag ineens wel.

“Zes maanden,” zei ik opeens.

Koen draaide zich om.

“Wat?”

“Zes maanden ben ik nu met jou bezig. Terwijl jij… kijk naar jezelf.”

Hij keek naar zijn blikje.

“Ik werk hard,” zei hij.

“Je werkt dertig uur als uitzendkracht.”

“En jij zit de hele dag maar een beetje thuis.”

Ik stond op en liep naar de keuken, omdat ik bang was dat ik hem ging slaan. Noor sliep door. Ik bleef voor het aanrecht staan en ademde in door mijn neus. De hond van de straat stond weer bij het hek. Ik zag hem door het keukenraam. Iemand had een kartonnen doos voor hem neergezet met een deken erin. Hij zat er naast, niet erin.

Toen maakte Koen een opmerking. Ik hoor hem nog helder. Hij zei: “Als je wat beter je best deed, had je dit allemaal niet.”

Wat dat betekende, weet ik niet. Maar het sneed.

Ik pakte Noor uit de box, legde haar in de kinderwagen en duwde haar naar buiten. De wagen reed zwaar, het ijzerdraadje piepte bij elke draai.

Het hek zat vast. Ik had de sleutel van het hangslot er net op zitten. Ik zei lelijk tegen het ijzer. Koen riep iets vanuit de deuropening, maar ik was al buiten. Het begon te regenen.

“Kom,” zei ik tegen de hond.

Hij keek me aan en bleef zitten.

“Nou dan.”

Hij stond langzaam op en liep met me mee. Zo liepen we de straat uit, ik met de kinderwagen, hij ernaast.

Op de hoek stond een tramhalte. Er zat een oude vrouw op het bankje met een plastic tas tussen haar voeten. Ze droeg een sjaal die naar natte wol rook. Ik herkende haar uit de straat. We hadden één keer samen voor de supermarkt gestaan.

“Is die van jou?” vroeg ze.

“Nee,” zei ik.

“Hij wacht hier al twee weken. Zijn baasje is verhuisd.”

“Verhuisd?”

“Naar een verzorgingstehuis. Ze hebben de hond niet meegenomen. Hij loopt hier maar heen en weer.”

De tram kwam. Ik stapte niet in. Ik stond daar met de regen in mijn gezicht en dacht aan Koen, aan de zes maanden, aan het piepende wiel en aan de man die een hond had opgevoed en hem daarna had laten zitten.

“Ik ga naar huis,” zei ik, en de hond liep met me mee terug.

Die avond maakte ik een afspraak via de folder van de klussendienst. De man zou de volgende dag langskomen om de kinderwagen te repareren. Ik had geen toestemming gevraagd.

“Ik betaal het zelf,” zei ik tegen Koen.

“Waarvan?”

“Van mijn eigen rekening.”

Hij zei niets. Hij schonk nog een biertje in.

De volgende ochtend was de klusjesman er om negen uur. Een bescheiden man van rond de vijftig met een metalen gereedschapskoffer en een sticker op zijn bus waarop stond: “Kinderwagenreparatie Arnoud de Jong”.

Hij draaide het wiel eraf, verving de as en zette alles vast met een inbussleutel. Het kostte vijfentwintig minuten.

“Vijfentwintig minuten,” zei ik zacht.

“Bijna net zo lang als een bevalling,” zei hij.

Ik lachte. Echt.

Toen hij wegging, stopte hij me een visitekaartje toe. Niet voor de kinderwagen, zei hij, maar voor de hond. Zijn broer had een asiel aan de rand van de stad.

Die middag haalde ik mijn spaarrekening leeg. Er stond vierduizend tweehonderd dertig euro op. In zes jaar opgebouwd. Ik had het bewaard voor een noodgeval. Nu was het zover.

Ik kocht van dat geld een nieuwe systeemcamera, een tweedehands bakfiets voor zestienhonderd euro van Marktplaats, en een treinaftelkalender die ik achter het behang plakte.

Niet voor de hond. Nee. Voor mezelf. Voor elke dag dat ik mezelf had laten uithollen.

Toen Koen het zag, werd hij rood. Hij stond in de keuken met de kalender in zijn hand en vroeg waar de camera vandaan kwam.

“Van mijn spaargeld,” zei ik.

“Dat was voor ons huis.”

“Welk huis?”

Hij keek me aan en zei niets meer. Maar ik zag zijn vingers om het kalenderkarton knijpen.

Drie dagen later zette ik de hond in de boodschappenmand van de bakfiets en fietste naar de kinderarts voor Noors maandelijkse controle. Bij het stoplicht stond een moeder met een peuter aan de hand. Ze keek naar de hond en glimlachte. Ik glimlachte terug.

Het is het enige wat ik me van die route herinner.

Koen kwam thuis en ik had zijn spullen al in de hal staan. Zijn gameconsole, zijn kleding, zijn gereedschapskist met gebroken handvat, zijn verzameling energiedrankjes. Ik had de folder van de klussendienst er bovenop gelegd. Met een geel papiertje eraan: “Bel ze voor je volgende probleem.”

Hij zag het.

“Wat is dit?”

“Je spullen.”

“Ga je me eruit gooien?”

“Ik zet je gewoon niet meer terug.”

Hij deed zijn mond open en weer dicht. Toen probeerde hij me vast te pakken. Ik deed een stap naar voren, niet achteruit, en zei niets. De hond gromde één keer. Niet brutaal, maar kort en laag. Koen liet zijn hand zakken.

Het had zes maanden geduurd om tot die ene seconde te komen.

Hij pakte zijn spullen niet meteen. Hij bleef nog twee weken in huis, sliep op de bank, gooide elke ochtend zijn lege blikjes in de bak naast mijn herbruikbare boodschappentas. Uiteindelijk vertrok hij naar een kamer in de stad. Tweehonderdnegentig euro per week, had hij verteld. Ik dacht: dat is vier keer zoveel als de kinderwagenreparatie.

Twee maanden later liep ik op een donderdagmiddag met de hond over de Oudegracht. Noor sliep in de bakfiets onder een dekentje met stippen. Het was koud en schemerig, de straatlichten sprongen al aan. Er stond een bankje bij de werf en ik ging er even zitten, met de hond aan mijn voeten.

Toen kwam er iemand naast me zitten. Eerst zag ik alleen de werkbroek en de stalen neuzen van de schoenen. Toen herkende ik de geur van machineolie.

Arnoud de Jong van de kinderwagenreparatie.

Hij had een grijze puberhond aan de lijn met een scheef hangend oor. Ze liepen samen naar het water en de hond dronk uit de gracht, alsof hij dat elke dag deed.

Ik heb nooit gevraagd of het dezelfde was. Ik had geleerd dat sommige dingen niet bevraagd hoeven worden, alleen gezien.

Click to comment

Leave a Reply

Ваша e-mail адреса не оприлюднюватиметься. Обов’язкові поля позначені *

два + 7 =

Також цікаво:

HU1 хвилина ago

Tíz forint a piacon

A nyíregyházi piac csarnokában szerdánként mindig más a levegő. Nem a kofák hangoskodása miatt, hanem mert ilyenkor hozzák a friss...

CZ14 хвилин ago

Padající lžička na dlažbě chrámu

Pracuji v kostele svatého Bartoloměje v Plzni už dvanáct let. Za tu dobu jsem viděl svatby, které by vydaly na...

EN30 хвилин ago

Mom, Please, The Dress Is Mine

The invitation came on a Tuesday, heavy cream paper, the kind that costs more than a week of groceries. It...

BG32 хвилини ago

Осем години по-късно четири деца на име Виктор и Мила срещат баща си Радослав в Боровец

Дървото на живота Осем години след раздялата, Виктория Драганова научи истината за близнаците, които баща им никога не бе видял....

NL43 хвилини ago

Zes maanden gaf ik die man

De trap naar de tweede verdieping rook naar schimmel en natte jassen. Buiten miezerde het, zoals altijd in november in...

HE49 хвилин ago

עדיף לבד, עם כלב אחד ותינוק אחד

הגלגל האחורי של העגלה נתקע בשוליים ליד הרחוב הרצל בפתח תקווה, ונשמט. התגלגל שלושה מטר וחצי, נעצר ליד פח זבל....

IT57 хвилин ago

Michele e la ruota del passeggino

Michele teneva in mano la ruota staccata e la fissava come se fosse colpa mia. Eravamo a due metri dall'ingresso...

NL1 годину ago

Puur geluk op de Zeelandbrug

Rikkert was drieënveertig toen hij Ilse leerde kennen, op een borrel van de scheepsbouwer waar hij toen nog aandelen in...